Voedsel, beschutting en een beetje troost

In een tuin die niet de mijne is, sta ik oog in oog met een eeuwenoude beuk.
Ik laat mijn blik glijden over takken die verder reiken dan een mensenleven.
Zijn kruin is weelderig, zijn stam lijkt nooit geknakt onder de grillen van eender welke tijd. Een beuk van zijn status wuift niet naar mensen. Hij staat erbij en kijkt onbewogen naar onze vergankelijkheid. Als je de Franse Revolutie en alle miserie sinds toen hebt getrotseerd, kan je jezelf veel permitteren. Deze beuk is een heerser. Kijk eens hoe het leven vleiend rond hem fladdert in ruil voor voedsel, beschutting en, wie weet, een beetje troost. Zijn aanwezigheid is zowel een geruststelling als een vanzelfsprekendheid. Zijn wortels zijn verstrengeld met de geschiedenis van dit dorp en zijn inwoners. En ik ben gewoon een van zijn vele gasten die de voorbije eeuwen de tijd hebben genomen om even bij hem stil te staan. Op zoek naar antwoorden, de essentie of gewoon om even te kunnen verdwijnen in zijn schaduw. Tussen het geritsel van zijn bladeren door lijkt hij mij te willen vertellen dat geluk even vanzelfsprekend kan zijn als het leven van een beuk. Ik begrijp dat er geen zoektocht hoeft te zijn naar het utopische onbekende en dat escapisme een illusie is. Rond zijn blakende stam draait alles om de orde van de dag: voedsel, beschutting en, wie weet, een beetje troost. Het maakt niet uit hoe de zon staat, ik zal altijd in zijn schaduw staan. Daar, in die tuin die niet de mijne is, besef ik hoe ik groot wil worden.

 

IMG_6710Volgens de eigenares van ons vakantiehuisje in Libin staat deze prachtige beuk hier sinds de periode van de Franse Revolutie.

Advertenties

Discovery channel

Je beveelt me om je alle hoeken van de kamer te laten zien. Ik knik instemmend, maar waarschuw je voor het stof en het web waarin we verstrikt kunnen raken. Dat vind je grappig. Je voegt eraan toe dat je spinnen geil vindt. Omdat ze acht poten hebben om te betasten. Ik antwoord dat ik tien vingers heb en een tong. “Humor”, zeg je, “daar hou ik van”. Je rukt mijn broeksriem los en zwiert hem door de kamer. Ik vraag me af of spinnen een tong hebben. De riem landt in de vorm van een S en ik denk: slangen hebben geen poten maar wel een tong, die bovendien aan het puntje gesplitst is. Maar het zou me verwonderen dat ze je opwinden. In één beweging trek ik je jeans en slipje naar beneden. Ik duw je in de eerste hoek en tits tegen je billen. Dat was dan de tweede keer dat ik je naar links swipe. Je naam is Kaat en op Tinder schrijf je dat je liefdesrijmpjes haat. Ik kus je nek en breng je tepels tot leven. Intussen is mijn lul even alert als een koningscobra die heupwiegend danst op het gefluit van een slangenbezweerder. Ik ben mij bewust van de foute beeldspraak. Slangen hebben heupen noch ritme. Ze kunnen wel kronkelen zoals jij op dit moment in een woonkamer waar alles kan. We hebben nog zeven hoeken te gaan. Ik had het kunnen weten. Op je Tinderprofiel stond ook het woord ambitieus geschreven.

De wachtkamer

In de wachtkamer wacht ik op een diagnose die ik al ken. Posters stellen mij vragen die de hypochonder in mij wakker maken. Benauwd? Kortademig? Vermoeid? Tetanus oké? Op een van de affiches staat een man met post-its geplakt op z’n blote lijf. Hij lijkt zichzelf te moeten herinneren aan zijn bestaan. Op elk kleefbriefje staat een medische reminder geschreven. De man hangt hier van zolang ik hier kom. Hoe zou het nu, minstens vijftien jaar later, met hem zijn? Misschien is hij ondertussen dood en dacht hij in zijn laatste momenten terug aan zijn sensibiliserende rol in wachtzalen van dokters.

Ik word uit mijn gedachten gekucht door een dame met looprekje en een grauwe huid. Hoe hard ze ook probeert, haar slijmen blijven plakken. Ik weet niet of ze ooit nog zullen verdwijnen. In de wachtkamer wacht je op beterschap en voor sommigen is dat nu eenmaal de dood. Naast de dame zit een vrouw van ongeveer dezelfde leeftijd. Ze lijken bevriend en bladeren samen door een Dag Allemaal. Ze roddelen over soapacteurs alsof het over hun eigen familie gaat.

Aan mijn andere zijde wordt een bonkige vent in werkkledij opgebeld. Zijn beltoon verandert de wachtzaal in een voetbaltempel. De man klaagt over zijn rug, profiteurs, de teloorgang van de buxushaag en over iemand die zijn plan maar moet leren trekken. Hij klinkt kortademig en ik vraag me af hoe lang het geleden is dat hij een vaccinatie tegen tetanus heeft gekregen. Op het moment dat de man oplegt, zwaait de deur van de praktijk open. “Mijnheer Samson”, zegt mijn huisarts. Van zodra hij de deur achter me dichttrekt, spreekt hij me met mijn voornaam aan. Het ruikt hier naar sigaretten. Ik zeg hem dat ik griep heb. Hij onderzoekt me en bevestigt mijn diagnose. De dokter schrijft me rust en medicatie voor en we schudden elkaar de hand.

Op weg naar buiten zie ik dat de bejaarde vriendinnen de Dag Allemaal hebben ingeruild voor een Story. De slijmen van de grauwe dame blijven zoals verwacht koppig liggen. Het contrast is groot met de magnolia op straat, die in de fleur van zijn leven staat. Insecten komen weer op krachten en vogels fluiten als bouwvakkers voor de schoonheid die zich knopje per knopje ontvouwt voor hun kwieke oogjes. Het is lente in de zomer van mijn leven. Geef me rust en medicatie en binnen enkele dagen sta ik ook weer in bloei.

Handdoek

Je zit met een vrouw in een hotelkamer. Wat zopas is gebeurd lost op in de hete damp van de douche waar je onderstaat. Door een kier zie je dat de vrouw haar panty’s aantrekt. Haar lippen zijn weer wijnrood, net als 20 minuten geleden. De vrouw steekt geld in haar kousenbroek en bindt haar losbandigheid vast met een babyroze rekker.
Je denkt aan je dochtertje.

Je kiest deze vrouw omdat ze ruikt naar de wasverzachter uit je jeugd. Soms gloeit ze nog na van de man voor jou. Die gloed doet je goed. Het is een welgekomen afwisseling voor de artificiële kilte op kantoor. Je stapt uit de douche en neemt een handdoek van karton. Een sticker op de muur stelt je voor een keuze: je kan dezelfde handdoek blijven gebruiken of je gooit hem op de grond. De eerste optie is beter voor het milieu.

De vrouw loopt zonder iets te zeggen de kamer uit. Je kan geen afscheid nemen van iets dat niet bestaat. Je stort je gezicht in de handdoek en schrobt de ontrouw van je blik. Je kijkt naar jezelf in de badkamerspiegel en ziet dat het niet is gelukt.
Je gooit de handdoek op de grond.
Je denkt aan je vrouw.

Princekoeken

Je loopt tussen de rayons als een model op de catwalk. Je draagt rode stiletto’s met matching lippenstift en een zwarte trenchcoat. De zonnebril op je hoofd doet dienst als diadeem. Je wordt aangestaard door ontbijtgranen, droge beschuiten, een beveiligingscamera en mezelf. Ik zou nochtans liever niet naar je kijken. Want dat is net wat je wil, wat je verwacht. En je bent mijn type niet eens. Je houdt halt bij de koekjes. Kijk eens aan. Hand in de zij en de poep naar achter. Je speurt de schappen af van boven naar onder tot je in een hoek van negentig graden voorovergebogen staat.

Je weet dat ik naar je kijk, is het niet?

Ook al probeer ik de illusie te wekken dat ik alleen oog heb voor beschuiten. Ik bestudeer een pak meergranen Cracottes alsof ik de achterflap van een boek lees. Jij neemt Princekoeken met witte vulling van het schap en loopt dan met je winkelmandje heupwiegend mijn richting uit. Zal ik even vriendelijk knikken als we elkaar kruisen? Dat doe ik altijd tussen de rayons. Ik hoef mijn gedrag niet aan te passen omdat ik denk dat jij ervan uitgaat dat ik je beloer.

Ga je oogcontact zoeken op het moment dat je me passeert?

Ja, en dat doe je langer dan gebruikelijk is tussen vreemden. Je lacht zelfs je gebleekte tanden bloot. Wat een stoute blik! Ik lach verlegen terug en kijk je achterna terwijl je van me weg flaneert. Je vastberaden tred lijkt gestuwd door een drang om bekeken te worden. Of is dit gewoon wie jij écht bent? Een vrouw die trots is op haar schoonheid. Een vrouw die ervan overtuigd is dat het probleem ligt bij mannen zoals ik. Maar ik ben niet zo’n man. Het is niet je schoonheid maar je verpletterend zelfvertrouwen dat mij intrigeert. Ik zet de beschuiten terug, neem een rol Princekoeken met chocoladevulling en reken af aan de kassa.

Ik wandel naar mijn volgende bestemming: de slager. Het is er druk. Ik kijk naar binnen en ik zie hoe levend vlees happig wijst naar dood vlees. Hier wordt gehakt gemaakt van vegetarische voornemens. In de weerspiegeling van het raam zie ik ook twee roze vlekjes. Ik beweeg mijn hoofd en de vlekjes bewegen mee. Instinctief grijp ik verschrikt naar mijn haren. Het zijn de roze speldjes van mijn dochter. Die was ik thuis blijkbaar vergeten uit te doen. Nu weet ik het wel zeker. Je keek niet stout of uitdagend. Je keek spottend, met de gebleekte tanden op elkaar geklemd om de hilariteit binnensmonds te houden. En ik kan je geen ongelijk geven.

Atelier Boshoek

Een gure oostenwind schudt aan de wilg naast het open raam van Ludo’s atelier. De oprit kleurt goud met herfstbladeren en er dwarrelt een blaadje binnen. Ludo duwt zijn sigaret uit in de overvolle asbak. Het is kwart voor zeven ‘s avonds en er draait een plaat van The Smiths. Het is de laatste elpee die hij ooit heeft gekocht. Met gekruiste armen aanschouwt hij vanop afstand een half afgewerkt portret. Hij dwingt zijn ogen tot spleetjes en stapt ernaartoe. Bij elke pas kraakt de plankenvloer, net als zijn gemoed. Hij kantelt zijn hoofd schuin, klakt met zijn tong. Een diepe zucht volgt. De schaduw klopt niet helemaal. Het is altijd iets. Hij kijkt naar de ingelijste vakantiefoto die tegen een lege verfpot leunt. Na meer dan dertig jaar tussen verf en borstels ziet de fotokader er nog steeds onberispelijk uit. Ludo’s ogen glijden naar de muur achter de schildersezel. Daar hangen zestien geschilderde versies van de foto, in twee rijen van acht portretten. Het zijn z’n favorieten uit honderden pogingen. Op geen enkel doek is de glimlach van zijn tienjarige zoon zo zorgeloos als op de foto. Geen enkel portret benadert de vreugde van die prachtige zomerdag in 1986. En toch zal Ludo zijn zoons gezicht blijven strelen met penselen. Hij zet de platenspeler uit in het midden van de song There’s a light that never goes out. Morgen, op Allerheiligen, zal het misschien eindelijk lukken.

Onverzettelijke traagheid

 

Ik keek naar mijn overbuur, de Berg. Hij lachte zijn flanken bloot. Van uitbundigheid was geen sprake, die was al geruime tijd geërodeerd. Ik voelde dat hij op me neerkeek. Boven hem hing een wolk van een middelvinger. De Berg liet me verstaan dat ‘de jaren van verstand’ niet bestaan als je alleen opkijkt naar je eigen bergwand. Dat bedoelde hij uiteraard metaforisch. Wie anders dan de Berg heeft het recht om te grossieren in beeldspraak. Hij vertelde me ook dat je gerust naar de hemel mag reiken, maar dat anderen altijd hoger zullen grijpen. Er bestaat immers een limiet op grenzen verleggen. Dat is wat zijn bovenste bomenrij mij wilde zeggen. Maar wat de Berg vooral in mijn hoofd wilde prenten, is dat je kan groeien door stil te staan. Ik keek dus naar mijn overbuur, de Berg, en besloot wat langer te blijven staan. Ik lachte terug, omdat hij zo vriendelijk was zijn onverzettelijke traagheid met mij te delen. Ook al ben ik maar een zucht in zijn ondoorgrondelijke leven.

 

Schermafbeelding 2018-07-11 om 15.40.38