Handdoek

Je zit met een vrouw in een hotelkamer. Wat zopas is gebeurd lost op in de hete damp van de douche waar je onderstaat. Door een kier zie je dat de vrouw haar panty’s aantrekt. Haar lippen zijn weer wijnrood, net als 20 minuten geleden. De vrouw steekt geld in haar kousenbroek en bindt haar losbandigheid vast met een babyroze rekker.
Je denkt aan je dochtertje.

Je kiest deze vrouw omdat ze ruikt naar de wasverzachter uit je jeugd. Soms gloeit ze nog na van de man voor jou. Die gloed doet je goed. Het is een welgekomen afwisseling voor de artificiële kilte op kantoor. Je stapt uit de douche en neemt een handdoek van karton. Een sticker op de muur stelt je voor een keuze: je kan dezelfde handdoek blijven gebruiken of je gooit hem op de grond. De eerste optie is beter voor het milieu.

De vrouw loopt zonder iets te zeggen de kamer uit. Je kan geen afscheid nemen van iets dat niet bestaat. Je stort je gezicht in de handdoek en schrobt de ontrouw van je blik. Je kijkt naar jezelf in de badkamerspiegel en ziet dat het niet is gelukt.
Je gooit de handdoek op de grond.
Je denkt aan je vrouw.

Advertenties

Princekoeken

Je loopt tussen de rayons als een model op de catwalk. Je draagt rode stiletto’s met matching lippenstift en een zwarte trenchcoat. De zonnebril op je hoofd doet dienst als diadeem. Je wordt aangestaard door ontbijtgranen, droge beschuiten, een beveiligingscamera en mezelf. Ik zou nochtans liever niet naar je kijken. Want dat is net wat je wil, wat je verwacht. En je bent mijn type niet eens. Je houdt halt bij de koekjes. Kijk eens aan. Hand in de zij en de poep naar achter. Je speurt de schappen af van boven naar onder tot je in een hoek van negentig graden voorovergebogen staat.

Je weet dat ik naar je kijk, is het niet?

Ook al probeer ik de illusie te wekken dat ik alleen oog heb voor beschuiten. Ik bestudeer een pak meergranen Cracottes alsof ik de achterflap van een boek lees. Jij neemt Princekoeken met witte vulling van het schap en loopt dan met je winkelmandje heupwiegend mijn richting uit. Zal ik even vriendelijk knikken als we elkaar kruisen? Dat doe ik altijd tussen de rayons. Ik hoef mijn gedrag niet aan te passen omdat ik denk dat jij ervan uitgaat dat ik je beloer.

Ga je oogcontact zoeken op het moment dat je me passeert?

Ja, en dat doe je langer dan gebruikelijk is tussen vreemden. Je lacht zelfs je gebleekte tanden bloot. Wat een stoute blik! Ik lach verlegen terug en kijk je achterna terwijl je van me weg flaneert. Je vastberaden tred lijkt gestuwd door een drang om bekeken te worden. Of is dit gewoon wie jij écht bent? Een vrouw die trots is op haar schoonheid. Een vrouw die ervan overtuigd is dat het probleem ligt bij mannen zoals ik. Maar ik ben niet zo’n man. Het is niet je schoonheid maar je verpletterend zelfvertrouwen dat mij intrigeert. Ik zet de beschuiten terug, neem een rol Princekoeken met chocoladevulling en reken af aan de kassa.

Ik wandel naar mijn volgende bestemming: de slager. Het is er druk. Ik kijk naar binnen en ik zie hoe levend vlees happig wijst naar dood vlees. Hier wordt gehakt gemaakt van vegetarische voornemens. In de weerspiegeling van het raam zie ik ook twee roze vlekjes. Ik beweeg mijn hoofd en de vlekjes bewegen mee. Instinctief grijp ik verschrikt naar mijn haren. Het zijn de roze speldjes van mijn dochter. Die was ik thuis blijkbaar vergeten uit te doen. Nu weet ik het wel zeker. Je keek niet stout of uitdagend. Je keek spottend, met de gebleekte tanden op elkaar geklemd om de hilariteit binnensmonds te houden. En ik kan je geen ongelijk geven.

Atelier Boshoek

Een gure oostenwind schudt aan de wilg naast het open raam van Ludo’s atelier. De oprit kleurt goud met herfstbladeren en er dwarrelt een blaadje binnen. Ludo duwt zijn sigaret uit in de overvolle asbak. Het is kwart voor zeven ‘s avonds en er draait een plaat van The Smiths. Het is de laatste elpee die hij ooit heeft gekocht. Met gekruiste armen aanschouwt hij vanop afstand een half afgewerkt portret. Hij dwingt zijn ogen tot spleetjes en stapt ernaartoe. Bij elke pas kraakt de plankenvloer, net als zijn gemoed. Hij kantelt zijn hoofd schuin, klakt met zijn tong. Een diepe zucht volgt. De schaduw klopt niet helemaal. Het is altijd iets. Hij kijkt naar de ingelijste vakantiefoto die tegen een lege verfpot leunt. Na meer dan dertig jaar tussen verf en borstels ziet de fotokader er nog steeds onberispelijk uit. Ludo’s ogen glijden naar de muur achter de schildersezel. Daar hangen zestien geschilderde versies van de foto, in twee rijen van acht portretten. Het zijn z’n favorieten uit honderden pogingen. Op geen enkel doek is de glimlach van zijn tienjarige zoon zo zorgeloos als op de foto. Geen enkel portret benadert de vreugde van die prachtige zomerdag in 1986. En toch zal Ludo zijn zoons gezicht blijven strelen met penselen. Hij zet de platenspeler uit in het midden van de song There’s a light that never goes out. Morgen, op Allerheiligen, zal het misschien eindelijk lukken.

Onverzettelijke traagheid

 

Ik keek naar mijn overbuur, de Berg. Hij lachte zijn flanken bloot. Van uitbundigheid was geen sprake, die was al geruime tijd geërodeerd. Ik voelde dat hij op me neerkeek. Boven hem hing een wolk van een middelvinger. De Berg liet me verstaan dat ‘de jaren van verstand’ niet bestaan als je alleen opkijkt naar je eigen bergwand. Dat bedoelde hij uiteraard metaforisch. Wie anders dan de Berg heeft het recht om te grossieren in beeldspraak. Hij vertelde me ook dat je gerust naar de hemel mag reiken, maar dat anderen altijd hoger zullen grijpen. Er bestaat immers een limiet op grenzen verleggen. Dat is wat zijn bovenste bomenrij mij wilde zeggen. Maar wat de Berg vooral in mijn hoofd wilde prenten, is dat je kan groeien door stil te staan. Ik keek dus naar mijn overbuur, de Berg, en besloot wat langer te blijven staan. Ik lachte terug, omdat hij zo vriendelijk was zijn onverzettelijke traagheid met mij te delen. Ook al ben ik maar een zucht in zijn ondoorgrondelijke leven.

 

Schermafbeelding 2018-07-11 om 15.40.38

Roze als beenham

Het verkeerslicht springt op groen maar ik blijf staan voor jou met je rode trui. Tussen ons een winkelraam, bloemen die staan te sterven in boeketten,
mensen die zichzelf gebogen voorbijlopen aan de snelheid van hun Facebookstream, en dit moment waarop jij aan een lelie ruikt en ik moed opsnuif.
Ik staar je aan en denk: komaan, kijk naar mij. Alleen in je ogen kan ik zien wat ik aan de kant moet zetten: mijn fiets of mijn fantasie.
Je blaast een haarlok uit je gezicht die terug op het puntje van je neus landt.
Ik vraag me af of je ooit mijn zenuwtrekjes zal kennen.
Komaan, zie mij staan. Kijk verder dan je bezige handen. Ze vertellen je niets nieuws meer. Met je blik naar beneden gericht oog je breekbaar als een paardenbloem in een hondenwei, en toch is er die gezonde blos.
Mocht mijn moeder hier staan, ook al zou ze nooit een groen licht negeren,
ze zou zeggen: “Die vrouw heeft de wangen van een slagersdochter.”
Maar ik weet beter. Je hebt geen wangen roze als beenham.
Het zijn wangen zo rood als de tulpen in je handen.

In de duinen van Zeeland

Hij staat beneden aan de trap als hij haar de kraan van de douche hoort opendraaien. Hij doet beheerst zijn schoenen uit en neemt enkele treden. Het geluid van stromend water heeft altijd een bezwerend effect op hem gehad. Hij beeldt zich in hoe ze haar hoofd naar achter kantelt om de stress van de werkweek uit haar krullen te wassen. In zijn gedachten ziet hij een spoor van schuimende shampoo traag langs haar hals naar beneden glijden, tussen haar borsten, tot voorbij haar navel. Hij stelt zich voor hoe ze haar rug strekt terwijl de damp van het hete water haar in een gelukzalige trance brengt. Hij glimlacht bij de gedachte dat het voorspel niet eens begonnen is.

In de traphal ruikt het ondertussen naar roosjes. Hij herkent de geur van vroeger, toen ze samen op kot zaten. Hij kende de uren waarop ze ging douchen in de gemeenschappelijke badkamer eerder dan haar naam. Hij pikte haar zalmroze slipje terwijl ze zich waste voor hij haar voor het eerst gesproken had. Het sexy niemendalletje lag maanden onder zijn matras, slechts enkele meters van haar vandaan toen ze notities kwam lenen. Het zijn herinneringen die hij koestert.

Hij is bijna boven. De trap kraakt onder zijn winterkousen. De opwinding en de whisky doen zijn hoofd tollen. Hij heeft geduld moeten uitoefenen, maar de beloning wacht hem op aan de andere kant van de deur. Juist voor hij haar wil verrassen, kijkt hij naar een fotokader die scheef aan de muur hangt. Ze ziet er gelukkig uit met haar labrador in de duinen van Zeeland. Het is de hond die beneden vredig ligt te slapen. Het zal nog even duren voor het dier wakker wordt, daar heeft hij voor gezorgd. Hij hangt het kader recht met zijn bruinleren handschoenen aan en neemt dan voorzichtig de deurklink vast. Hij hoort haar zachtjes neuriën terwijl het water onverstoorbaar op haar lichaam klettert. In zijn broekzak zit het slipje dat ze al 16 jaar mist. Het slipje waarmee ze straks wakker zal worden.

 

 

Schermafbeelding 2018-02-07 om 21.49.44Schermafbeelding 2018-03-29 om 22.36.48

Nachtkastje

 

Wij liggen zij aan zij als twee makrelen in de verstoog.

Jij vindt dat een ongelukkige vergelijking, keert me de rug toe

en zucht de fles wijn van een lichamelijke avond de kamer in.

Het is jouw manier om de aanstormende dag te verjagen.

 

Aan de andere kant van de muur wordt een nieuwe wereld opgetrokken uit lakens.

Ik hoor zijn scheppers fluisteren om de realiteit niet wakker te maken.

Dit rijk staat of valt met wasknijpers. Ik zou het willen veroveren

en in het nachtkastje van mijn geheugen achterlaten.

 

Ondertussen loert de schemer binnen. Ik negeer zijn blik,

verdwijn liever onder het deken van ons gemoedelijke leven.

Twee makrelen spartelen nog even tegen.