Als Diederikje ’s nachts wakker wordt

Als Diederikje ’s nachts wakker wordt en naar het toilet gaat, ziet hij door een kier het licht branden in de badkamer. Hij wil het licht uitdoen, tot hij ziet hoe zijn vader het wapen dat hem heeft verwekt keer op keer laadt. Hij moet denken aan de actiefilm die ze eerder die dag samen hebben gezien. Een slechterik wilde iedereen vermoorden met een tweeloop. Papa vond het waarschijnlijk een goede film, denkt Diederikje, want hij speelt de slechterik na. Hij staat net in dezelfde positie, maar dan naakt: benen gespreid, door de knieën gebogen en met een grimas op zijn gezicht die Diederikje bang maakt. Met dat verschil dat papa slechts één arm nodig heeft om zijn geweer te laden, keer op keer. In zijn andere hand houdt hij een smartphone vast. Diederikje ziet een foto op het scherm van een vrouw die zijn mama niet is. Zulk gezicht trekt papa nooit als hij bij mama is. Dat stelt Diederikje enigszins gerust. Maar waarom is hij zo boos op deze vrouw? Papa begint te grommen. Als hij zich draait naar de wastafel, gaat Diederikje snel naar het toilet. Hij is bang om betrapt te worden door een boze papa. Hij sluit behoedzaam de deur en neemt plaats op de toiletbril om minder lawaai te maken tijdens het plassen. Als Diederikje het water uit de kraan hoort stromen aan de andere kant van de muur, zucht hij opgelucht. Laat papa nu maar afkoelen, denkt hij. Hij besluit om voortaan enkel naar tekenfilms te kijken met zijn vader.

Zondag jogdag

Vandaag zijn we in het park van Hove gaan joggen. Na een rondje ruilen de kinderen het looppad in voor de speeltuin. Annelies en ik joggen verder. Op een gegeven moment vliegt een voetbal onze richting uit, recht de beek in. Gezwind loop ik tussen de bomen naar de beek om vervolgens met mijn benen een brug te maken over het waterloopje. Ik buk me om de bal uit het roestbruine water te plukken. Ik geraak er niet. De spanning op mijn liezen bouwt zich op. De puber die aan het sjotten was, komt intussen aangerend. Laat je niet kennen, Antony. Ik hoor het mezelf denken. Een beetje dieper door de beentjes dan maar. Ik kom niet verder dan een schampschot met mijn vingertoppen. Bijna! Annelies heeft onderwijl achter mij postgevat. Nog een poging. Ai, de liezen lijken het niet te trekken. Ik kom weer recht en draai me naar de jongen, mezelf verontschuldigend dat de veertig in zicht is. De jongen bedankt me uitvoering voor de moeite. Enfin, hij bedankt ons. Want de voetbal vliegt voorbij mijn gezichtsveld zijn richting uit. Annelies had hem uit de beek gevist. Ik hoorde haar zuchten noch kreunen van de inspanning. Het moet vlotjes gegaan zijn. Ik besluit een extra rondje te lopen om het voorval te verwerken.

Tandartsbezoek

Ik lig neer op de stoel van de tandarts. De radio speelt Crazy van Aerosmith en ik sluit mijn ogen. Ik zit op de rand van mijn bed te staren naar Alicia Silverstone in een videoclip op MTV. Liv Tyler is er ook bij maar dat is bijzaak. Ik zit naast Alicia in een cabriolet, ruik bij vlagen de shampoo van haar wapperende manen en we lachen de wereld blij. We springen naakt in een meertje en doen wat van spetter spat. Op de rand van het bed beeld ik me in hoe een tongzoen proeft. Het is mijn eerste idee van wat verliefdheid is. ‘Geef een seintje als het pijn doet.’ Ik lig op de stoel van de tandarts en open mijn ogen. Een traan welt op. Met Alicia is het nooit iets geworden. Een cabriolet is niets voor mij. Maar als ik straks huiswaarts keer, voelt mijn mond fris als een bergmeertje.

Deze ochtend

Deze ochtend blijf ik wat langer in bed liggen, alleen met mijn ademhaling. Ik vind dat bijzonder therapeutisch. Ik hoor voetstappen van passanten en de flarden tekst die ze als ballonnetjes voor ons venster oplaten, het gekras van kraaien dat het getjilp overstemt, de kinderen in de living die genade kennen voor hun soezende vader in tegenstelling tot de tractor die zijn ontwaken aan flarden buldert. Ik open mijn ogen en ik zie de grijze wolkenmassa breken in stukken met gouden randen waarachter het hoge blauw. Ik meen in de lucht een gezicht te herkennen. Het kijkt op me neer en lijkt me te willen zeggen: “Het is goed geweest. Sta nu maar op, kerel.”

Stofzuigdilemma

Het zit zo. Ik maak een voorwaartse beweging met de stofzuigerstang en ik zie het mini legoblokje pas op enkele centimeters van de zuigmond. Nu heb ik nog de keuze: de actie onderbreken of niet. Ik ben mij ervan bewust dat doorglijden betekent dat het onfortuinlijke blokje nooit meer het daglicht zal zien. Maar op hetzelfde moment beseft mijn brein dat onderbreken een grotere inspanning vergt dan doorglijden. En tijdens het stofzuigen kies ik liever de weg van de minste weerstand. Mijn geweten komt zich ook moeien, maar door het kabaal van de stofzuiger begrijp ik er geen hol van.
Floep.
Het is gebeurd terwijl ik met mijn ogen knipperde. Niemand heeft het gezien, op enkele verbouwereerde legomannetjes na. Dit was nochtans niet de eerste keer. Ik heb tot nader order geen klachten ontvangen van de gedupeerden.

Morgen

Dit is vandaag.
Vandaag wil ik leven in het moment.
Ik lig ondergedompeld in het nu wanneer Morgen op het gebruikelijke uur met de deur in huis valt. Zoals gewoonlijk herinnert Morgen mij aan de dingen die ik niet mag vergeten en aan de plannen die moeten leiden tot een interessanter leven. Maar vandaag keer ik Morgen de rug toe. Ik zeg: ‘Vandaag niet, Morgen. Vandaag wil ik leven in het moment.’ Morgen kijkt me verbaasd aan. ‘Ik kan me niet herinneren dat ik je dat gisteren gezegd heb. Dat stond niet op de planning.’, krijg ik als antwoord. Ik zeg dat ik vanochtend met het idee wakker ben geworden. Het was een ingeving van het moment, als het even mag zeg! ‘Zal ik morgen terugkomen?’, vraagt Morgen, die met nostalgie terugdenkt aan gisteren, toen we samen plannen maakten waar vandaag niks van in huis lijkt te komen. ‘Dat zien we dan wel.’, antwoord ik gapend, terwijl Morgen verslagen de kamer verlaat. Ik zet me op de rand van het bed en neem mijn schriftje. Ik noteer: Vandaag is een strijd tussen gisteren, zoals we toen dachten dat morgen eruit zou zien, en alles wat we voor vandaag niet konden voorzien.
Grappig toch. Morgen had me gisteren gezegd dat ik vandaag een quote zou verzinnen.

Voedsel, beschutting en een beetje troost

In een tuin die niet de mijne is, sta ik oog in oog met een eeuwenoude beuk.
Ik laat mijn blik glijden over takken die verder reiken dan een mensenleven.
Zijn kruin is weelderig, zijn stam lijkt nooit geknakt onder de grillen van eender welke tijd. Een beuk van zijn status wuift niet naar mensen. Hij staat erbij en kijkt onbewogen naar onze vergankelijkheid. Als je de Franse Revolutie en alle miserie sinds toen hebt getrotseerd, kan je jezelf veel permitteren. Deze beuk is een heerser. Kijk eens hoe het leven vleiend rond hem fladdert in ruil voor voedsel, beschutting en, wie weet, een beetje troost. Zijn aanwezigheid is zowel een geruststelling als een vanzelfsprekendheid. Zijn wortels zijn verstrengeld met de geschiedenis van dit dorp en zijn inwoners. En ik ben gewoon een van zijn vele gasten die de voorbije eeuwen de tijd hebben genomen om even bij hem stil te staan. Op zoek naar antwoorden, de essentie of gewoon om even te kunnen verdwijnen in zijn schaduw. Tussen het geritsel van zijn bladeren door lijkt hij mij te willen vertellen dat geluk even vanzelfsprekend kan zijn als het leven van een beuk. Ik begrijp dat er geen zoektocht hoeft te zijn naar het utopische onbekende en dat escapisme een illusie is. Rond zijn blakende stam draait alles om de orde van de dag: voedsel, beschutting en, wie weet, een beetje troost. Het maakt niet uit hoe de zon staat, ik zal altijd in zijn schaduw staan. Daar, in die tuin die niet de mijne is, besef ik hoe ik groot wil worden.

 

IMG_6710Volgens de eigenares van ons vakantiehuisje in Libin staat deze prachtige beuk hier sinds de periode van de Franse Revolutie.

Discovery channel

Je beveelt me om je alle hoeken van de kamer te laten zien. Ik knik instemmend, maar waarschuw je voor het stof en het web waarin we verstrikt kunnen raken. Dat vind je grappig. Je voegt eraan toe dat je spinnen geil vindt. Omdat ze acht poten hebben om te betasten. Ik antwoord dat ik tien vingers heb en een tong. “Humor”, zeg je, “daar hou ik van”. Je rukt mijn broeksriem los en zwiert hem door de kamer. Ik vraag me af of spinnen een tong hebben. De riem landt in de vorm van een S en ik denk: slangen hebben geen poten maar wel een tong, die bovendien aan het puntje gesplitst is. Maar het zou me verwonderen dat ze je opwinden. In één beweging trek ik je jeans en slipje naar beneden. Ik duw je in de eerste hoek en tits tegen je billen. Dat was dan de tweede keer dat ik je naar rechts swipe. Je naam is Kaat en op Tinder schrijf je dat je liefdesrijmpjes haat. Ik kus je nek en breng je tepels tot leven. Intussen is mijn lul even alert als een koningscobra die heupwiegend danst op het gefluit van een slangenbezweerder. Ik ben mij bewust van de foute beeldspraak. Slangen hebben heupen noch ritme. Ze kunnen wel kronkelen zoals jij op dit moment in een woonkamer waar alles kan. We hebben nog zeven hoeken te gaan. Ik had het kunnen weten. Op je Tinderprofiel stond ook het woord ambitieus geschreven.

De wachtkamer

In de wachtkamer wacht ik op een diagnose die ik al ken. Posters stellen mij vragen die de hypochonder in mij wakker maken. Benauwd? Kortademig? Vermoeid? Tetanus oké? Op een van de affiches staat een man met post-its geplakt op z’n blote lijf. Hij lijkt zichzelf te moeten herinneren aan zijn bestaan. Op elk kleefbriefje staat een medische reminder geschreven. De man hangt hier van zolang ik hier kom. Hoe zou het nu, minstens vijftien jaar later, met hem zijn? Misschien is hij ondertussen dood en dacht hij in zijn laatste momenten terug aan zijn sensibiliserende rol in wachtzalen van dokters.

Ik word uit mijn gedachten gekucht door een dame met looprekje en een grauwe huid. Hoe hard ze ook probeert, haar slijmen blijven plakken. Ik weet niet of ze ooit nog zullen verdwijnen. In de wachtkamer wacht je op beterschap en voor sommigen is dat nu eenmaal de dood. Naast de dame zit een vrouw van ongeveer dezelfde leeftijd. Ze lijken bevriend en bladeren samen door een Dag Allemaal. Ze roddelen over soapacteurs alsof het over hun eigen familie gaat.

Aan mijn andere zijde wordt een bonkige vent in werkkledij opgebeld. Zijn beltoon verandert de wachtzaal in een voetbaltempel. De man klaagt over zijn rug, profiteurs, de teloorgang van de buxushaag en over iemand die zijn plan maar moet leren trekken. Hij klinkt kortademig en ik vraag me af hoe lang het geleden is dat hij een vaccinatie tegen tetanus heeft gekregen. Op het moment dat de man oplegt, zwaait de deur van de praktijk open. “Mijnheer Samson”, zegt mijn huisarts. Van zodra hij de deur achter me dichttrekt, spreekt hij me met mijn voornaam aan. Het ruikt hier naar sigaretten. Ik zeg hem dat ik griep heb. Hij onderzoekt me en bevestigt mijn diagnose. De dokter schrijft me rust en medicatie voor en we schudden elkaar de hand.

Op weg naar buiten zie ik dat de bejaarde vriendinnen de Dag Allemaal hebben ingeruild voor een Story. De slijmen van de grauwe dame blijven zoals verwacht koppig liggen. Het contrast is groot met de magnolia op straat, die in de fleur van zijn leven staat. Insecten komen weer op krachten en vogels fluiten als bouwvakkers voor de schoonheid die zich knopje per knopje ontvouwt voor hun kwieke oogjes. Het is lente in de zomer van mijn leven. Geef me rust en medicatie en binnen enkele dagen sta ik ook weer in bloei.

Handdoek

Je zit met een vrouw in een hotelkamer. Wat zopas is gebeurd lost op in de hete damp van de douche waar je onderstaat. Door een kier zie je dat de vrouw haar panty’s aantrekt. Haar lippen zijn weer wijnrood, net als 20 minuten geleden. De vrouw steekt geld in haar kousenbroek en bindt haar losbandigheid vast met een babyroze rekker.
Je denkt aan je dochtertje.

Je kiest deze vrouw omdat ze ruikt naar de wasverzachter uit je jeugd. Soms gloeit ze nog na van de man voor jou. Die gloed doet je goed. Het is een welgekomen afwisseling voor de artificiële kilte op kantoor. Je stapt uit de douche en neemt een handdoek van karton. Een sticker op de muur stelt je voor een keuze: je kan dezelfde handdoek blijven gebruiken of je gooit hem op de grond. De eerste optie is beter voor het milieu.

De vrouw loopt zonder iets te zeggen de kamer uit. Je kan geen afscheid nemen van iets dat niet bestaat. Je stort je gezicht in de handdoek en schrobt de ontrouw van je blik. Je kijkt naar jezelf in de badkamerspiegel en ziet dat het niet is gelukt.
Je gooit de handdoek op de grond.
Je denkt aan je vrouw.