Ogen die spreken

Ik ben doorgaans een goede luisteraar. Uit respect voor de gesprekspartner die mij bij zijn verhaal wil betrekken, maar ook omdat ik soms … niets te vertellen heb. Ik vind dat ook niet erg. Stilte en rust zijn een zegen op de denderende trein van het leven. Mijn gesprekspartners, laten we hen even verzamelen onder de naam Toon, vinden dat dan weer erg ongemakkelijk. Toon duikt dan in de archieven van zijn geheugen op zoek naar anekdotes, nieuwsfeitjes of, waarom niet, verzinsels. Alles is immers beter dan de leegte van de stilte. En ik luister ondertussen aandachtig, want dat kan ik nu eenmaal goed als sociale introvert.

Toch is het niet altijd evident om Toon één en al oor te zijn. Veel hangt af van zijn blik. Soms zijn Toons koplampen verkeerd afgesteld en vraag ik mij af naar welk oog ik moet kijken. Dus ik kies, om dan na enige tijd – en altijd te laat – te beseffen dat zijn andere oog betrouwbaarder is. Of toch niet? Ik zit nu in een fase dat ik, uit onzekerheid, als een flipperkast van het ene oog naar het andere schiet. Ik begin mij nu wel heel erg te schamen en hoop dat Toon mijn geklungel niet in het, euhm, oog heeft. En de draad van ons gesprek, tja, die ben ik tegen dan al lang kwijtgespeeld.

Daar gaan dan je goede voornemens als prima luisteraar.

Maar Toon heeft nog façades die mij van de wijs brengen. Soms blijft hij mij zodanig lang aanstaren dat ik het gevoel krijg dat er een kleine competitie aan de gang is. Knipperen of wegkijken is verliezen. Je kan het zo van zijn roversblik aflezen. Uiteraard staar ik dan terug, liefst zonder te beginnen tranen. Want tranen zijn nu niet meteen het toonbeeld van mentale veerkracht. Soms hoop ik na al dat gestaar dat een kamikazevliegje het op mijn pupil gemunt heeft, als een schot in de roos. Een perfect excuus om me geblesseerd terug te trekken uit de competitie, want er bestaan grenzen op vlak van competitiviteit.

Waar hadden we het trouwens over, Toon?

Tot slot, soms vindt Toon alles interessanter dan mijn geïnteresseerde kop. Van het schrale spinnenwebje aan het plafond tot de saaie tegel op de grond. Is het onoprechtheid, onzekerheid of ervaart hij net een gevoel van suprematie? Of ben ik weeral een puist vergeten uit te knijpen? Wat het ook moge zijn, Ik heb dan altijd de neiging om mijn tong uit te steken terwijl Toon spreekt. Hij kijkt toch niet naar mij! Enfin, dat soort gedachten flitsen dan door mijn hoofd. Met als gevolg dat ik niet écht zit te luisteren.

Maar doorgaans ben ik dus een uitstekende luisteraar. Is het niet, Toon?

Advertenties