Binnen de lijnen

 

Het is matchbal. Voor het eerst in mijn leven zal ik een officiële wedstrijd verliezen van Dikken Daan. Papa had zich mijn eerste ronde in de club waarvan hij voorzitter is waarschijnlijk anders voorgesteld. Hij stond te supporteren, maar zijn aanmoedigingen klonken eerder als ergernis. Het is zonder twijfel een voorbode op de verwijten die straks als tennisballen uit een ballenmachine op me worden afgevuurd. Maar wat nog erger is: sinds vandaag hangt het reclamedoek van zijn immobiliënkantoor aan de omheining waar ik nu op sta te kijken. Naast zijn zonnebankbruine hoofd staat de slogan: Ready to serve you. Wat was hij fier toen hij met die kleffe lijn naar huis kwam.

Daan gooit de bal in de lucht en … hij slaat een ace. Game, set en match.

Als ik na de wedstrijd met papa naar het clubhuis wandel, valt de stilte tussen ons me zwaarder dan de nederlaag. Vader lacht zijn gebleachte tanden bloot als we mensen van de club kruisen, maar ik voel de frustratie achter zijn façade. Net voor we de trap naar de cafetaria nemen, draait hij zich naar me toe. Er is niemand in de buurt en dat zal ik geweten hebben.

“Denkt gij dat ik mij een off-day kan permitteren? Als ik een slechte dag zou hebben, dan komt er minder geld binnen. Geld waarmee ik uw trainingen, uw iPhone, uw kleren en weet-ik-wat-nog-allemaal betaal. Maar ik heb geen slechte dagen. Ik sta er altijd. Zeker wanneer het moet. Soit, we babbelen straks verder over de match. Ik moet rond 14u naar de Nachtegalenlaan want de burgemeester zijn dochter heeft interesse in een appartement. Daarna kom ik naar huis. Oké? Hier is 10 euro. Vergeet uw tegenstander geen drankje te trakteren. Anders denken zijn ouders nog dat wij gierig zijn en niet goed tegen ons verlies kunnen. En denk ondertussen maar eens na over wat er is misgelopen.”

Na de donderpreek kamt hij zijn zwartgeverfde haren naar achter met zijn wit zakkammetje. Dat doet hij altijd als hij een goede indruk wil maken. Weet hij veel dat ze hem op de club de Berlusconi van Brasschaat noemen.

Het is 13u30 en ik fiets naar de platenwinkel. De traktatie is er uiteindelijk niet van gekomen. Ik heb de 10 euro besteed aan een bord spaghetti. Ik was op de club ook nog mijn tennistrainer tegen het lijf gelopen. Tijdens mijn match heb ik hem niet gezien. Hij vond het blijkbaar belangrijker om champagne te drinken met Carina, de moeder van mijn dubbelpartner en ook wel een beetje vergane glorie. Toch heeft ze volgens mijn vader al meerdere tennisbroekjes op de enkels gekregen in het bos achter de terreinen. Ik kan maar hopen dat hijzelf niet mee het onderwerp is van zijn roddel.

Aan het rood licht hoor ik getoeter. Als je van de duivel spreekt, zie je hem zitten in zijn wit monster op veel te dikke banden. Het raampje aan de passagierszetel schuift naar beneden. Papa roept: “Thibault!”

Ik vraag wat er scheelt.

“Ik heb niet graag dat ge met uw koptelefoon fietst. Dat is levensgevaarlijk. Ge moet het verkeer kunnen horen!”

Op dat moment slaan mijn stoppen door:

“En gij rijdt altijd in de mensen hun gat. Alsof dat veel veiliger is!”

Ik zet mijn headphones terug op en sla zonder nadenken een zijstraat in. Ik zet de volumeknop nog een streepje luider en trap me de ziel uit het lijf. Alsof ik zo de vernederingen beter van me af kan schudden. Even verder zie ik een immobord hangen waarop mijn vaders stomme kop staat te blinken. Ik neem fietsend een racket uit mijn tenniszak en fixeer mijn ogen op die van mijn kartonnen vader. Ik mep het bord aan diggelen en van de weerslag vliegt het racket uit mijn trillende handen. Tranen rollen over mijn wangen. Opnieuw, maar wel voor de eerste keer buiten mijn slaapkamer. Ik laat het vernielde racket liggen waar het is terechtgekomen en fiets doelloos de velden in.

Ik moet terugdenken aan mijn eerste tennisracket. Mama wou eigenlijk een racketje van de speelgoedwinkel kopen voor het geval ik er na enkele lessen de brui aan zou geven. Vader zag dat niet zitten want dat kwam toch zo goedkoop over. Het werd dus een racket van het merk Babolat. Ik ben het merk al tien jaar trouw, maar nu heb ik toch het gevoel dat ik de grip op mijn rackets én de sport kwijt ben.

Als ik de kerktoren van ons dorp nader, spot ik een vogelverschrikker. Ik krijg een geniaal idee. Alsof de koeien, de vogels, de wind, zeg maar het hele fucking universum, het mij in koor hebben ingefluisterd. Ik smijt mijn fiets aan de kant, neem mijn tenniszak en loop naar de strooien pop in het veld. Mijn woede maakt plaats voor pure opwinding. Ik neem mijn vuile kleren uit de tas en begin de pop aan te kleden. Ik steek er al mijn tennisrackets in. Hoe meer ik van mezelf geef aan de vogelverschrikker, hoe vrijer ik me voel. Ik loop terug naar m’n fiets en slinger mijn tennistas de gracht in. Tijd om naar de Nachtegalenlaan te fietsen en mijn vader te laten kennismaken met de nieuwe Thibault. Het kan me niet schelen dat hij daar met de dochter van de burgemeester staat. Vandaag heb ik een belangrijke match gewonnen.

Advertenties

Nutcase

De schaamte. Ik voel ze vooral hier, in de supermarkt. Mensen mijden oogcontact sinds ik de ronde doe als een virale infectie. Ze kijken me aan wanneer ik mijn boodschappenlijstje doorstreep of het etiket van een fles wijn lees. Hun geniepige blikken branden door mijn winterjas. Het is zelfs zo erg geworden dat ik mijn vlees niet meer laat afsnijden bij de slager. Voortaan koop ik alles voorverpakt. Wat maakt het ook uit. Alles heeft een wrange bijsmaak tegenwoordig.

 Ze zeggen dat mijn masker is afgevallen. Ze menen te weten wie ik nu écht ben. Maar wie was ik daarvoor dan? Iemand die de schijn ophield? Dat zeggen ze ook. En oké, ik was de controle verloren en de gevolgen zijn drastisch. Het is een jammerlijk feit uit een leven dat al 41 jaar braaf bestaat. Maar ben ik door het voorval veranderd? Ik geef de planten evenveel water als vroeger. Ik slaap nog altijd op mijn buik en ik kijk met evenveel spijt terug op bepaalde keuzes in mijn leven.

Maar goed. Het is dus gebeurd en veel mensen hebben het gezien. Ik ben nu officieel de nutcase van het dorp. De overdaad aan wijn en goedkope pralines in mijn winkelkar zullen die perceptie alleen maar voeden. Aan de kassa komen daar nog roddelboekjes bij. Mocht ik niet beter weten, ik zou denken dat het bewijs van mijn teloorgang naar de kassière schuift. Ik betaal de rekening en krijg er gratis een afkeurende blik van de winkelbediende bij. Wat een conservatief hol is dit toch.

En als ik eerlijk mag zijn: vóór de schaamte was ik trotst op mezelf. Fier op mijn daadkracht en uitstekend gevoel voor timing. Als een slechtvalk die in vrije val zijn prooi vangt. 12 jaar geleden, toen ik hem voor het eerst zag, had ik het lef nog niet. Hij kwam toen spreken over zijn investeringsplannen in de regio. Ik walgde van zijn dominante houding en vrouwonvriendelijk gezwets, maar als kersvers communicatiemedewerker van de gemeente deed ik wat van mij werd verwacht. Ik bedankte hem na zijn speech voor zijn kostbare tijd met een uitstekende fles Bordeaux. Hij nam de fles aan, gaf me een zoen en fluisterde onder luid applaus in mijn oor: “Heb je plannen vanavond, Barbie?” Ik was te geschokt om te reageren. Hij genoot van zijn macht.

Dat was ons laatste contact tot vorige maand, toen hij terug naar ons dorp kwam. Hij was hier niet om te spreken over de investeringen die uiteindelijk nooit zijn doorgegaan, maar om verkozen te worden. Ik overhandigde hem opnieuw een fles Bordeaux. Deze keer met een extraatje erbij. Om het in de woorden van de wereldpers te zeggen:

“Lady grabs Trump by the nuts after speech.”

 

Uit zo’n 500 inzendingen haalde ‘Nutcase’ de longlist (17 finalisten) van de schrijfwedstrijd ‘Barbiepop’. De wedstrijd was een initiatief van Schrijven Online en de Nederlandse Schrijversacademie.

De vallei

 

Voor mijn petekind, Lisa-Bella.

 

Het was een zachte zomeravond toen Eekhoorn en Konijn samen op een afgebroken dennentak zaten. Ze tuurden naar de vallei in de verte, waar de avondzon het kronkelende beekje deed schitteren en de bergflanken goud kleurde. Na een tijdje doorbrak Konijn de stilte.

“Zeg, Eekhoorn. Stel je voor dat we in de vallei zouden wonen.”

“Amai, dat zou de max zijn Konijn!”

“Lekker plonsen in het beekje, zonnen op de rotsen en …”

“… duizenden nootjes eten!” ging Eekhoorn verder.

“Het moet daar de mooiste plek op aarde zijn”, zei Konijn dromerig, terwijl zijn kopje rustte op zijn voorpoten.

 

“Zeg Konijn.”

“Ja Eekhoorn.”

“Wat houdt ons eigenlijk tegen?”

“Om naar de vallei te gaan, bedoel je?”

“Ja … Misschien moeten we gewoon onze spullen pakken en vertrekken.”

 

Voor het eerst die avond keken Konijn en Eekhoorn elkaar diep in de ogen.

“Echt?”, zei Konijn, terwijl zijn hartje sneller begon te slaan.

Eekhoorn knikte gretig en zei opgewonden: “We vertrekken als de zon opkomt!”

Dat ze daar nog niet eerder waren opgekomen!

 

Terwijl de zon verdween achter de bergen, vertelden ze elkaar wat ze gingen meenemen, stippelden ze een route uit en kwamen ze overeen hoeveel wortelen en noten ze gingen meenemen voor de reis. Wat een avontuur! En wat een fijne avond. Voor ze het goed en wel beseften, was het pikkedonker. En ze moesten hun knapzakje nog maken!

 

Net voor ze afscheid namen vroeg konijn:

“Zeg Eekhoorn”, groeit er Edelweiss in de vallei?”

“Geen idee. Waarom?”

“Ik vind dat de mooiste bloem van de hele wereld.”

“Er zijn zeker even mooie bloemen zijn in de vallei”, antwoordde Eekhoorn vastberaden.

“Zeg Eekhoorn. En kunnen we in de vallei even hard van de berg hollen als hier?”

“Ja maar Konijn, in de vallei kan je niet van de berg hollen hoor. Daar ben je al beneden hé.”

“Oh dat is jammer, want ik vind dat heel fijn.”

“Tja Konijn, je kan niet alles willen. Kom we gaan naar ons bedje.”

 

Eekhoorn zag dat Konijn een beetje sip keek. Zijn oren hingen slap over zijn kop. Hij was een beetje bezorgd om zijn vriend.

“Is er iets, Konijn?”

“Weet je wat ik echt ga missen, Eekhoorn? Onze babbels op de dennentak.”

“Ik ook. Maar er zullen in de vallei ook dennentakken liggen.”

“Niet met zicht op de vallei”, zei Konijn.

 

Konijn en Eekhoorn keken elkaar opnieuw enkele tellen diep in de ogen.

 

“Weet je, Konijn”, eigenlijk kunnen we hier aan de bron ook zwemmen. Of zonnen in de Alpenweide.”

“En misschien schittert de beek alleen hierboven als diamanten. En moet je hier zitten om gouden bergen te kunnen zien.”, ging Konijn verder.

Eekhoorn knikte naar zijn vriend en zei:

“Kom Konijn, we gaan slapen. Morgen zelfde tak, zelfde uur?

“Goed idee Eekhoorn! Ik kijk er al naar uit!”

 

En ze zaten nog lang en gelukkig op hun dennentak.

 

 

 

De zwemvijver

Het is de eerste hete dag van het jaar. Ik zit in kleermakerszit op mijn badhanddoek en kijk uit over de zonnebadende mensenzee. De zonnebril op mijn neus heeft spiegelglazen zodat ik ongegeneerd kan staren en observeren. Het is een pilootbril. Sinds de film Top Gun moet ik van niets anders meer weten. Ik zie veel tattoos die ooit zwart waren, zonverbrande zwaarlijvigheid in strakke Speedo’s en oververhitte jongens die zwermen rond giechelende meisjes. Kortom, heel Deurne zoekt verkoeling aan de zwemvijver in het Boekenbergpark. En gelijk hebben ze.

Terwijl ik gulzig rondkijk, spreekt een bloedmooie vrouw mij aan. Ze vraagt me vriendelijk om vuur. Haar paarse bikini matcht mooi met haar rosse lokken maar minder met haar witte benen. Deze stoot herinnert mij er aan waarom ik sinds mijn puberteit een spannend broekje onder mijn zwemshort draag. Ze vraagt opnieuw om vuur omdat ik voor me uit blijf staren. Moonstruck. Deze keer toont ze met vragende ogen ook de sigaret die tussen haar ranke vingers zit geklemd. Alsof ik haar niet begrepen heb. Ik schud nee. Teleurgesteld, want voor háár zou ik beginnen roken. Gewoon om haar sigaret te mogen aansteken en zo de sproetjes op haar snoetje te kunnen tellen. Ik hou die gedachte voor mezelf en we nemen afscheid. Ik besluit af te koelen in de zwemvijver.

De temperatuur van het water is 17°C. Ik loop op mijn tippen met opgetrokken middenrif de zwemvijver in alvorens mijn schoolslag aan te vatten. Ik vind het de meest sierlijke der zwemstijlen. Bij crawl heb ik een coördinatieprobleem, vlinderslag heb ik alleen nog maar tijdens de Olympische Spelen gezien en rugslag is om problemen vragen in een overvol bad. Er zwemmen trouwens niet alleen mensen in de zwemvijver. Heel wat insecten spartelen zich een weg naar de eeuwigheid, waaronder helaas ook enkele geteisterde bijen. Andere insecten hebben het vooral op mijn hoofd gemunt. Ik kan ze moeilijk wegslaan omdat het m’n schoolslag zou verstoren. Ik duik onder water en open mijn ogen om mij te kunnen oriënteren. Helaas zonder zwembril waardoor mijn lenzen nu verloren ronddrijven in het groene water. Ik zie geen steek. Zwemmen heeft geen zin meer.

Ik hijs me onzeker uit de vijver en stap verloren richting de zonneweide. Ik kan amper mens van handdoek onderscheiden. Elke 2 seconden tuur ik met dichtgeknepen ogen in de richting van mijn plekje. Ik voel niet alleen de zon, maar ook de blikken op mijn lichaam branden. Laat ze maar kijken, ik zie hun gezichten toch niet. Als bij wonder bereik ik na een eeuwigheid ongeschonden mijn spullen. Angstig door het wazige beeld neemt mijn gehoor het zicht voor een stuk over. Geen lelijke tattoos of verbrande pensen meer. De blijdschap die door het Boekenbergpark galmt, doet de angst van mijn natte lijf glijden. Geluiden uit alle lagen van de samenleving zorgen samen voor de perfecte soundtrack op deze zonnige dag. Tous ensemble in Deurne. Ik leg me neer en sluit mijn ogen.

Kon heel de wereld dit maar horen.

 

 

Sunlight

 

“Het ruikt hier naar de hemel.”

?”

“Dat het hier naar de hemel ruikt.”

“De hemel?”

“Ja, de hemel. En Sunlight zeep.”

“Ik riek niks.”

“Zelfs niet die rottende meeuw?”

“Nee … Maar gij hebt altijd een betere neus gehad dan ik.”

Da’s waar. Maar die meeuw stinkt wel erg hard.”

“Hoe weet gij zo zeker dat ge die meeuw riekt?”

“Ik zou niet weten wat het anders kan zijn.”

“We kunnen ook ergens anders gaan zitten.”

“We zitten altijd hier.”

“We zitten hier goed.”

 

“Zeg en de zeelucht. Ruikt ge die?”

“Nee. Daarvoor wonen we hier al te lang.”

“Awel schat, dan snap ik waarom gij de hemel niet ruikt.”

“Maar die meeuw, dat vind ik echt straf.”

 

NZ2 144

Met open mond

Dag Jan

Bedankt voor je attente brief. Je hebt gelijk. Ik loop al een tijdje op mijn tandvlees. Je empathie doet me dan ook deugd. Het zal inderdaad een jaartje geleden zijn dat we elkaar hebben gezien. Ik herinner het me nog alsof het gisteren was. Je hebt mij toen flink uit de nood geholpen. Ik ben je er nog steeds erg dankbaar voor, ook al eindigde ons onderonsje enigszins verdwaasd met een dubbele tong. Weet je nog hoe je meezong met All Night Long van Lionel Richie? Het is een scherp kantje van je dat ik nooit zal begrijpen, maar wel apprecieer.

Jan, ik moet wel toegeven dat ik met open mond jouw uitnodiging heb gelezen. Je brief was, en ik wik mijn woorden, niet echt uitnodigend. Je pen vertelt me dat je een zekere afstand wil bewaren. Heb ik je de laatste keer gebruuskeerd misschien? Wil je me aan de tand voelen over iets? Of is dit jouw ironische gevoel voor humor om mij, in de beleefdheidsvorm u met hoofdletter nota bene, uit te nodigen op jouw ‘kabinet’? Ik weet dat ik de laatste keer geen al te beste beurt maakte, maar om mij nu plots jouw patiënt te noemen. Dat vind ik er toch wel een beetje over.

Bref, ik weet niet wat of hoe, maar je toon baart me zorgen. Ik heb je dus nog niet teruggebeld zoals je vroeg, en stuur je deze brief in de plaats. Laat het even bezinken. Samen komen we er vast wel uit.

Hartelijk,

Antony

P.S. Kijk jij ook jouw eigen tanden na?

De druppel

Het is de druppel teveel die zijn tere lichaam doet overlopen van weemoed. Hij zit op zijn vertrouwde barkruk, als een levend vraagteken gekromd over zijn tweederangs single malt whisky. Hij draait het Schotse goedje rond in zijn glas en laat zich door het kolkje meesleuren naar de bodem van zijn gedachten. Daar komt hij zijn vader tegen. Ook hij kon als geen ander zijn whisky laten rondgaan als een neerwaartse spiraal waar hij nooit meer uit zou geraken.

Ontelbare nachten zat zijn vader in zijn wijnrood fluwelen schommelstoel te staren naar de Leuvense stoof met enkel het getik van de klok als gezelschap. Hoe vaak had hij als kind niet gedacht om op vaders schoot te gaan zitten nadat hij ’s nachts naar het toilet was geweest? Hij deed het nooit. Hij stond daar als een toeschouwer. Zou zijn vader zijn aanwezigheid gevoeld hebben? Misschien wachtte hij wel op een onschuldig gebaar van zijn zoon om hem te redden van zijn ondergang. Wist hij veel.

Haar entree in het café haalt hem terug naar zijn barkruk. Ze knikken elkaar kort toe zoals joggers dat doen als ze elkaar kruisen in het park. Het is 12u30 op een zonnige dinsdag en BB King soleert zich de ziel uit zijn corpulente lijf. Het is tijd voor een refill.

Ze neemt plaats aan haar tafeltje. Zoals gewoonlijk zet ze haar rood gestifte lippen rond het glas rode porto dat de café-uitbater haar bracht terwijl ze haar zwarte bontjas uittrok. Praten doen ze niet, ook al zitten ze hier verschillende middagen samen alleen. Kijken ook niet, ook al hebben ze elke beweging van mekaar gezien. Hij gluurt naar haar via de spiegel achter de toog, en zij tuurt naar hem in de weerspiegeling van het raam dat uitkijkt op het plein. Liefde kan toch tragisch zijn als ze onbeantwoord blijft.

Waarom zou hij haar trouwens willen leren kennen? Hij kent zichzelf niet eens. Probeer jezelf dan maar eens op een ordentelijke manier voor te stellen. Hoe ouder hij wordt, hoe meer hij het gevoel krijgt dat hij aan de zijlijn staat van zijn eigen leven. Machteloos kijkt hij toe hoe zijn verleden onbestraft tegen zijn geweten schopt. Hij heeft geen zin om met haar een nieuwe nederlaag op te lopen. De emmer der vernederingen zit vol. Alle whisky ten spijt, het zou de druppel teveel zijn.

Als hij terugkeert van het toilet is ze al weg. Meestal laat hij haar achter. Er ligt een bierviltje naast zijn whisky. Op het kaartje staat een afdruk van haar volle lippen, die hij meent te herkennen. Er staat ook een boodschap op geschreven:

Je nieuwe haarsnit is geslaagd.

Bedankt voor je gezelschap.

Het ga je goed,

Annabelle.

BB King maakt plaats voor JJ Cale. Enkele zonnestralen geven het bruin café een gouden gloed. Hij kapt de laatste centiliter whisky achterover en wandelt naar buiten. Zijn klas wacht op antwoorden terwijl de vragen zich in zijn benevelde hoofd alleen maar opstapelen.

Hij glimlacht.