De hoofdrol

Er was eens een wc-rol genaamd Scotty die de hoofdrol wou spelen in een schijtfilm. Het was niet de eerste keer dat hij zich voor zo’n film kandidaat stelde. Maar voorlopig bleef de doorbraak uit. ‘Er zit een geurtje aan de selectieprocedure.’, had hij eens gezegd tegen zijn agent. Door alle afwijzingen die hij te verduren kreeg, was hij van pure miserie fel vermagerd. Laagje per laagje verloor hij aan zelfvertrouwen. Gelukkig had Scotty een dikke huid, anders had hij de filmindustrie al jaren geleden ingeruild voor een supermarktketen, waar hij waarschijnlijk wél op het bovenste schap zou liggen. Maar Scotty was een volhouder met een missie: de Golden Drop winnen als beste wc-rol in een film. Hij wilde beroemde konten vegen zoals zijn illustere voorgangers die onvergetelijke rollen speelden in geweldige schijtfilms als Dumb & Dumber, American Pie, There’s Something About Mary en The Big Lebowski (waar wc-rol Lotus speciaal voor zijn rol vel over karton was). Maar je moet klein durven beginnen, dacht Scotty, die niet te beroerd was om een rol aan te nemen in een b-film. Uiteindelijk had hij meer kans dat er in de undergroundscene een schijtfilm zou gemaakt worden. Scotty had wel een probleem in zijn queeste naar eeuwige roem. Zijn vel was bedrukt met hartjes en hij geurde naar roosjes. De filmindustrie – en de meeste acteurs en actrices – waren meer te vinden voor geurloze, onbedrukte toiletrollen. Toch leek het Scotty een kwestie van tijd eer een superster een wc-rol zoals hij op zijn of haar wishlist zou zetten. En dan was hij vertrokken. Zijn uniciteit in de filmbusiness zou zijn sterkte blijken. Daar was hij heilig van overtuigd. Hij werd beloond voor zijn geduld en vastberadenheid toen zijn agent op een druilerige dag in Los Angeles heugelijk nieuws had.

‘Scotty!’
‘Ja?’
‘Je mag meedoen aan de audities van de nieuwste Bondfilm!’
‘Shit! Serieus?’
‘Yep, het zou een geweldige schijtfilm zijn.’
‘Wow. Speelt Daniel Craig nog steeds James Bond?’
‘Yep. Er komen gouden tijden aan makker. We worden morgen op de set verwacht.’

Scotty voelde zich gelukkiger dan ooit. Hij blonk zijn hartjes op en spoot nog wat rozengeur op zijn zachte huid. The smell of success, dacht hij. Hij voelde tot in het diepst van zijn vezels dat hij op het punt stond beroemd te worden. Hij keek naar de badkamerkast en wist exact waar hij de Golden Drop zou zetten. Vierentwintig uur later hing hij aan een gouden hanger in een fancy hotelkamer toen James Bond op de pot ging zitten. Scotty voelde geen camera’s op hem gericht, maar hij was allang blij dat hij hier mocht hangen. En hij hing hoe hij het liefst hing, rollend met de wijzers van de klok. Dit was zonder twijfel het spannendste moment uit zijn leven. Toen de regisseur ‘Actie!’ riep, begon Bond zijn gevoeg te doen. Scotty zag hem even schudden met zijn gespierde poep en dacht: shaken, not stirred. De superster begon te rollen aan Scotty en nam maar liefst vijf blaadjes die hij op elkaar vouwde. Met mijn vel moet twee volstaan, wist Scotty, maar hij had al opgevangen dat filmsterren graag leven in overdaad. ‘Cut!’, riep de regisseur. En dus werd een nieuwe take opgenomen, met dat verschil natuurlijk dat Daniel Craig nu deed alsof hij moest kakken. Weer nam hij vijf velletjes. En dat voor een poep die al proper is! Scotty voelde zich verkwist. En zo ging het door, cut na cut, tot er van Scotty niets meer overbleef dan een lege rol. En zo voelde hij zich ook. Hij werd door de propsmaster in een vuilbak gesmeten waar hij terechtkwam tussen een hoop andere mislukte wc-rollen. Er hing een schrale rozengeur van gemiste kansen. Nu restte Scotty en de andere wc-rollen niets meer dan wachten tot ze vermalen zouden worden in een papierverwerkingsbedrijf.

Na een slapeloze nacht waarin hij woelde en rolde, ging plots het deksel van de vuilbak open. Hij zag een man speuren die duidelijk naar iets specifiek op zoek was. Op zijn T-shirt stond cleaning services geschreven. Hij haalde de vuilniszak uit de bak, plofte hem neer en haalde er dan met zijn blauwe, doorschijnende handschoentjes de ene na de andere wc-rol uit. Scotty en zijn lotgenoten werden overgeladen in een kleiner plastic zakje dat vervolgens werd dichtgeknoopt. Hij was op van de stress. Wat stond er hem te gebeuren? Toen hij even later in een bestelwagen zat, kon hij alleen maar raden waar hij samen met de andere toiletrollen gedumpt zou worden. Na een uurtje schoof de deur van de bestelwagen open waardoor Scotty plots verblind werd door het felle zonlicht. Hij hoorde in de verte twee kindjes ‘Daddy! Daddy!’ roepen. De oudste van de twee meisjes ritste het zakje uit de man zijn handen, liep ermee naar de woonkamer en scheurde het gretig open. Scotty en de andere rollen tuimelden op de vloer. Grijpgrage handjes namen Scotty mee naar een kindertafeltje, waar hij tussen verfborstels en ander knutselgerei terechtkwam. Vrijwel meteen werd hij onder handen genomen voor een complete, ongewilde make-over. Ook enkele andere rollen ondergingen een wonderbaarlijke metamorfose. Toen het jongste meisje Scotty trots de lucht in stak om aan haar vader te tonen, zag hij in de spiegel van de woonkamer dat hij de Superman onder de wc-rollen was geworden. Met de S van Scotty op zijn buik geschilderd! Hij kreeg een plaatsje op de wandkast tussen enkele andere rollen, maar hij was dé ster. Hij had zijn hoofdrol te pakken en hij leefde nog lang en gelukkig.*

*tot de hond des huizes hem te pakken kreeg, in het toilet dropte en de poetsman besloot Scotty door te spoelen.

 

Schermafbeelding 2019-09-13 om 08.22.42

De wachtkamer

In de wachtkamer wacht ik op een diagnose die ik al ken. Posters stellen mij vragen die de hypochonder in mij wakker maken. Benauwd? Kortademig? Vermoeid? Tetanus oké? Op een van de affiches staat een man met post-its geplakt op z’n blote lijf. Hij lijkt zichzelf te moeten herinneren aan zijn bestaan. Op elk kleefbriefje staat een medische reminder geschreven. De man hangt hier van zolang ik hier kom. Hoe zou het nu, minstens vijftien jaar later, met hem zijn? Misschien is hij ondertussen dood en dacht hij in zijn laatste momenten terug aan zijn sensibiliserende rol in wachtzalen van dokters.

Ik word uit mijn gedachten gekucht door een dame met looprekje en een grauwe huid. Hoe hard ze ook probeert, haar slijmen blijven plakken. Ik weet niet of ze ooit nog zullen verdwijnen. In de wachtkamer wacht je op beterschap en voor sommigen is dat nu eenmaal de dood. Naast de dame zit een vrouw van ongeveer dezelfde leeftijd. Ze lijken bevriend en bladeren samen door een Dag Allemaal. Ze roddelen over soapacteurs alsof het over hun eigen familie gaat.

Aan mijn andere zijde wordt een bonkige vent in werkkledij opgebeld. Zijn beltoon verandert de wachtzaal in een voetbaltempel. De man klaagt over zijn rug, profiteurs, de teloorgang van de buxushaag en over iemand die zijn plan maar moet leren trekken. Hij klinkt kortademig en ik vraag me af hoe lang het geleden is dat hij een vaccinatie tegen tetanus heeft gekregen. Op het moment dat de man oplegt, zwaait de deur van de praktijk open. “Mijnheer Samson”, zegt mijn huisarts. Van zodra hij de deur achter me dichttrekt, spreekt hij me met mijn voornaam aan. Het ruikt hier naar sigaretten. Ik zeg hem dat ik griep heb. Hij onderzoekt me en bevestigt mijn diagnose. De dokter schrijft me rust en medicatie voor en we schudden elkaar de hand.

Op weg naar buiten zie ik dat de bejaarde vriendinnen de Dag Allemaal hebben ingeruild voor een Story. De slijmen van de grauwe dame blijven zoals verwacht koppig liggen. Het contrast is groot met de magnolia op straat, die in de fleur van zijn leven staat. Insecten komen weer op krachten en vogels fluiten als bouwvakkers voor de schoonheid die zich knopje per knopje ontvouwt voor hun kwieke oogjes. Het is lente in de zomer van mijn leven. Geef me rust en medicatie en binnen enkele dagen sta ik ook weer in bloei.

Handdoek

Je zit met een vrouw in een hotelkamer. Wat zopas is gebeurd lost op in de hete damp van de douche waar je onderstaat. Door een kier zie je dat de vrouw haar panty’s aantrekt. Haar lippen zijn weer wijnrood, net als 20 minuten geleden. De vrouw steekt geld in haar kousenbroek en bindt haar losbandigheid vast met een babyroze rekker.
Je denkt aan je dochtertje.

Je kiest deze vrouw omdat ze ruikt naar de wasverzachter uit je jeugd. Soms gloeit ze nog na van de man voor jou. Die gloed doet je goed. Het is een welgekomen afwisseling voor de artificiële kilte op kantoor. Je stapt uit de douche en neemt een handdoek van karton. Een sticker op de muur stelt je voor een keuze: je kan dezelfde handdoek blijven gebruiken of je gooit hem op de grond. De eerste optie is beter voor het milieu.

De vrouw loopt zonder iets te zeggen de kamer uit. Je kan geen afscheid nemen van iets dat niet bestaat. Je stort je gezicht in de handdoek en schrobt de ontrouw van je blik. Je kijkt naar jezelf in de badkamerspiegel en ziet dat het niet is gelukt.
Je gooit de handdoek op de grond.
Je denkt aan je vrouw.

Princekoeken

Je loopt tussen de rayons als een model op de catwalk. Je draagt rode stiletto’s met matching lippenstift en een zwarte trenchcoat. De zonnebril op je hoofd doet dienst als diadeem. Je wordt aangestaard door ontbijtgranen, droge beschuiten, een beveiligingscamera en mezelf. Ik zou nochtans liever niet naar je kijken. Want dat is net wat je wil, wat je verwacht. En je bent mijn type niet eens. Je houdt halt bij de koekjes. Kijk eens aan. Hand in de zij en de poep naar achter. Je speurt de schappen af van boven naar onder tot je in een hoek van negentig graden voorovergebogen staat.

Je weet dat ik naar je kijk, is het niet?

Ook al probeer ik de illusie te wekken dat ik alleen oog heb voor beschuiten. Ik bestudeer een pak meergranen Cracottes alsof ik de achterflap van een boek lees. Jij neemt Princekoeken met witte vulling van het schap en loopt dan met je winkelmandje heupwiegend mijn richting uit. Zal ik even vriendelijk knikken als we elkaar kruisen? Dat doe ik altijd tussen de rayons. Ik hoef mijn gedrag niet aan te passen omdat ik denk dat jij ervan uitgaat dat ik je beloer.

Ga je oogcontact zoeken op het moment dat je me passeert?

Ja, en dat doe je langer dan gebruikelijk is tussen vreemden. Je lacht zelfs je gebleekte tanden bloot. Wat een stoute blik! Ik lach verlegen terug en kijk je achterna terwijl je van me weg flaneert. Je vastberaden tred lijkt gestuwd door een drang om bekeken te worden. Of is dit gewoon wie jij écht bent? Een vrouw die trots is op haar schoonheid. Een vrouw die ervan overtuigd is dat het probleem ligt bij mannen zoals ik. Maar ik ben niet zo’n man. Het is niet je schoonheid maar je verpletterend zelfvertrouwen dat mij intrigeert. Ik zet de beschuiten terug, neem een rol Princekoeken met chocoladevulling en reken af aan de kassa.

Ik wandel naar mijn volgende bestemming: de slager. Het is er druk. Ik kijk naar binnen en ik zie hoe levend vlees happig wijst naar dood vlees. Hier wordt gehakt gemaakt van vegetarische voornemens. In de weerspiegeling van het raam zie ik ook twee roze vlekjes. Ik beweeg mijn hoofd en de vlekjes bewegen mee. Instinctief grijp ik verschrikt naar mijn haren. Het zijn de roze speldjes van mijn dochter. Die was ik thuis blijkbaar vergeten uit te doen. Nu weet ik het wel zeker. Je keek niet stout of uitdagend. Je keek spottend, met de gebleekte tanden op elkaar geklemd om de hilariteit binnensmonds te houden. En ik kan je geen ongelijk geven.

Atelier Boshoek

Een gure oostenwind schudt aan de wilg naast het open raam van Ludo’s atelier. De oprit kleurt goud met herfstbladeren en er dwarrelt een blaadje binnen. Ludo duwt zijn sigaret uit in de overvolle asbak. Het is kwart voor zeven ‘s avonds en er draait een plaat van The Smiths. Het is de laatste elpee die hij ooit heeft gekocht. Met gekruiste armen aanschouwt hij vanop afstand een half afgewerkt portret. Hij dwingt zijn ogen tot spleetjes en stapt ernaartoe. Bij elke pas kraakt de plankenvloer, net als zijn gemoed. Hij kantelt zijn hoofd schuin, klakt met zijn tong. Een diepe zucht volgt. De schaduw klopt niet helemaal. Het is altijd iets. Hij kijkt naar de ingelijste vakantiefoto die tegen een lege verfpot leunt. Na meer dan dertig jaar tussen verf en borstels ziet de fotokader er nog steeds onberispelijk uit. Ludo’s ogen glijden naar de muur achter de schildersezel. Daar hangen zestien geschilderde versies van de foto, in twee rijen van acht portretten. Het zijn z’n favorieten uit honderden pogingen. Op geen enkel doek is de glimlach van zijn tienjarige zoon zo zorgeloos als op de foto. Geen enkel portret benadert de vreugde van die prachtige zomerdag in 1986. En toch zal Ludo zijn zoons gezicht blijven strelen met penselen. Hij zet de platenspeler uit in het midden van de song There’s a light that never goes out. Morgen, op Allerheiligen, zal het misschien eindelijk lukken.

Luister eens naar deze oude knar

Herfstbladeren vallen niet, ze wiegen de zomer in slaap. Als ge zo oud zijt als ik kijkt ge nu eenmaal anders naar het leven. Ik heb dan ook tijd om over die dingen na te denken. Ik ga nergens naartoe, alleen mijn gedachten hebben de luxe af te dwalen. Ze komen en gaan zoals de reigers. Ge moet weten dat het hier serieus veranderd is sinds Jan en alleman het domein mag betreden. Het was ineens gedaan met de rust. En oké, kabaal en geschreeuw vervliegt. Ge geraakt er met de tijd aan gewend. Maar waarom vinden jullie, mensen, het nodig om hartjes en namen in mijn huid te kerven? Dat ge dat op een muur doet kan ik nog begrijpen. Een muur leeft niet. Maar op een boom! Los van het feit dat het pijn doet, is het ook levensgevaarlijk. En ge moet daar niet mee lachen. Als gij in mij snijdt en de verkeerde bacterie nestelt zich in de sleuf, dan wordt die snede een gaatje. Dat gat wordt groter en voor ge het weet … Enfin, ge zult het niet weten want tegen dan ligt gij al lang onder de grond. Zelfs uw kleinkinderen zullen het nooit weten. Maar voor ge het weet ben ik dus helemaal uitgehold vanbinnen. Dan is het wachten op een rukwind die mij uit mijn lijden zal verlossen.

Gij snijdt toch ook geen levende dieren? Mocht ge mij meer als dier beschouwen, ge zoudt tenminste moeite doen om rekening te houden met mijn gevoelens. Niet dat ge boomknuffelaar moet worden, laat dat duidelijk zijn, maar wij bomen doen meer dan bladeren van ons afschudden en nieuwe scheuten krijgen. Wist ge bijvoorbeeld dat wij kunnen communiceren met insecten? Als ik last heb van een ambetante parasiet, laat ik van mij ruiken. Dan trek ik insecten aan die dol zijn op die parasiet. En als de wind mijn geur meevoert, worden mijn familieleden verwittigd van het naderende onheil. En dan zwijg ik nog over onze wortels die ingenieus met elkaar verbonden zijn. Wij zorgen voor en spreken met elkaar, beste mens. Gij kunt dat alleen niet horen.

En als ik even mag terugkomen op de vergelijking met dieren: het onderscheid tussen fauna en flora is ook maar uitgevonden door een mens hé. Het is máár een categorisering. Uiteindelijk leven we allemaal. Ook wij eten, drinken, communiceren, planten ons voort – wat ik trouwens geheel terzijde etymologisch een mooie uitdrukking vind – en passen ons aan de seizoenen aan. Maar omdat wij bijvoorbeeld op een andere manier eten en drinken, zijn we voor u geen dieren. Gij kunt ook onze emoties niet lezen. We staan erbij zoals een lantaarnpaal, is het niet? We lijken onverschillig neer te kijken op ons lot. Misschien is dat wel de reden waarom gij niet naar ons omkijkt.

Soit, ik ben er nog. En ik zal hier nog wel een tijdje blijven staan, in het Rivierenhof. En al die tijd heb ik een prachtig zicht op Onze-Lieve-Vrouwekathedraal. Ik wuif geregeld naar haar. En als de wind goed staat, hoor ik haar stem die na al die jaren nog even helder klinkt. Toch iets waar jullie mensen goed in zijn.

Roze als beenham

Het verkeerslicht springt op groen maar ik blijf staan voor jou met je rode trui. Tussen ons een winkelraam, bloemen die staan te sterven in boeketten,
mensen die zichzelf gebogen voorbijlopen aan de snelheid van hun Facebookstream, en dit moment waarop jij aan een lelie ruikt en ik moed opsnuif.
Ik staar je aan en denk: komaan, kijk naar mij. Alleen in je ogen kan ik zien wat ik aan de kant moet zetten: mijn fiets of mijn fantasie.
Je blaast een haarlok uit je gezicht die terug op het puntje van je neus landt.
Ik vraag me af of je ooit mijn zenuwtrekjes zal kennen.
Komaan, zie mij staan. Kijk verder dan je bezige handen. Ze vertellen je niets nieuws meer. Met je blik naar beneden gericht oog je breekbaar als een paardenbloem in een hondenwei, en toch is er die gezonde blos.
Mocht mijn moeder hier staan, ook al zou ze nooit een groen licht negeren,
ze zou zeggen: “Die vrouw heeft de wangen van een slagersdochter.”
Maar ik weet beter. Je hebt geen wangen roze als beenham.
Het zijn wangen zo rood als de tulpen in je handen.

In de duinen van Zeeland

Hij staat beneden aan de trap als hij haar de kraan van de douche hoort opendraaien. Hij doet beheerst zijn schoenen uit en neemt enkele treden. Het geluid van stromend water heeft altijd een bezwerend effect op hem gehad. Hij beeldt zich in hoe ze haar hoofd naar achter kantelt om de stress van de werkweek uit haar krullen te wassen. In zijn gedachten ziet hij een spoor van schuimende shampoo traag langs haar hals naar beneden glijden, tussen haar borsten, tot voorbij haar navel. Hij stelt zich voor hoe ze haar rug strekt terwijl de damp van het hete water haar in een gelukzalige trance brengt. Hij glimlacht bij de gedachte dat het voorspel niet eens begonnen is.

In de traphal ruikt het ondertussen naar roosjes. Hij herkent de geur van vroeger, toen ze samen op kot zaten. Hij kende de uren waarop ze ging douchen in de gemeenschappelijke badkamer eerder dan haar naam. Hij pikte haar zalmroze slipje terwijl ze zich waste voor hij haar voor het eerst gesproken had. Het sexy niemendalletje lag maanden onder zijn matras, slechts enkele meters van haar vandaan toen ze notities kwam lenen. Het zijn herinneringen die hij koestert.

Hij is bijna boven. De trap kraakt onder zijn winterkousen. De opwinding en de whisky doen zijn hoofd tollen. Hij heeft geduld moeten uitoefenen, maar de beloning wacht hem op aan de andere kant van de deur. Juist voor hij haar wil verrassen, kijkt hij naar een fotokader die scheef aan de muur hangt. Ze ziet er gelukkig uit met haar labrador in de duinen van Zeeland. Het is de hond die beneden vredig ligt te slapen. Het zal nog even duren voor het dier wakker wordt, daar heeft hij voor gezorgd. Hij hangt het kader recht met zijn bruinleren handschoenen aan en neemt dan voorzichtig de deurklink vast. Hij hoort haar zachtjes neuriën terwijl het water onverstoorbaar op haar lichaam klettert. In zijn broekzak zit het slipje dat ze al 16 jaar mist. Het slipje waarmee ze straks wakker zal worden.

 

 

Schermafbeelding 2018-02-07 om 21.49.44Schermafbeelding 2018-03-29 om 22.36.48

Binnen de lijnen

 

Het is matchbal. Voor het eerst in mijn leven zal ik een officiële wedstrijd verliezen van Dikken Daan. Papa had zich mijn eerste ronde in de club waarvan hij voorzitter is waarschijnlijk anders voorgesteld. Hij stond te supporteren, maar zijn aanmoedigingen klonken eerder als ergernis. Het is zonder twijfel een voorbode op de verwijten die straks als tennisballen uit een ballenmachine op me worden afgevuurd. Maar wat nog erger is: sinds vandaag hangt het reclamedoek van zijn immobiliënkantoor aan de omheining waar ik nu op sta te kijken. Naast zijn zonnebankbruine hoofd staat de slogan: Ready to serve you. Wat was hij fier toen hij met die kleffe lijn naar huis kwam.

Daan gooit de bal in de lucht en … hij slaat een ace. Game, set en match.

Als ik na de wedstrijd met papa naar het clubhuis wandel, valt de stilte tussen ons me zwaarder dan de nederlaag. Vader lacht zijn gebleachte tanden bloot als we mensen van de club kruisen, maar ik voel de frustratie achter zijn façade. Net voor we de trap naar de cafetaria nemen, draait hij zich naar me toe. Er is niemand in de buurt en dat zal ik geweten hebben.

“Denkt gij dat ik mij een off-day kan permitteren? Als ik een slechte dag zou hebben, dan komt er minder geld binnen. Geld waarmee ik uw trainingen, uw iPhone, uw kleren en weet-ik-wat-nog-allemaal betaal. Maar ik heb geen slechte dagen. Ik sta er altijd. Zeker wanneer het moet. Soit, we babbelen straks verder over de match. Ik moet rond 14u naar de Nachtegalenlaan want de burgemeester zijn dochter heeft interesse in een appartement. Daarna kom ik naar huis. Oké? Hier is 10 euro. Vergeet uw tegenstander geen drankje te trakteren. Anders denken zijn ouders nog dat wij gierig zijn en niet goed tegen ons verlies kunnen. En denk ondertussen maar eens na over wat er is misgelopen.”

Na de donderpreek kamt hij zijn zwartgeverfde haren naar achter met zijn wit zakkammetje. Dat doet hij altijd als hij een goede indruk wil maken. Weet hij veel dat ze hem op de club de Berlusconi van Brasschaat noemen.

Het is 13u30 en ik fiets naar de platenwinkel. De traktatie is er uiteindelijk niet van gekomen. Ik heb de 10 euro besteed aan een bord spaghetti. Ik was op de club ook nog mijn tennistrainer tegen het lijf gelopen. Tijdens mijn match heb ik hem niet gezien. Hij vond het blijkbaar belangrijker om champagne te drinken met Carina, de moeder van mijn dubbelpartner en ook wel een beetje vergane glorie. Toch heeft ze volgens mijn vader al meerdere tennisbroekjes op de enkels gekregen in het bos achter de terreinen. Ik kan maar hopen dat hijzelf niet mee het onderwerp is van zijn roddel.

Aan het rood licht hoor ik getoeter. Als je van de duivel spreekt, zie je hem zitten in zijn wit monster op veel te dikke banden. Het raampje aan de passagierszetel schuift naar beneden. Papa roept: “Thibault!”

Ik vraag wat er scheelt.

“Ik heb niet graag dat ge met uw koptelefoon fietst. Dat is levensgevaarlijk. Ge moet het verkeer kunnen horen!”

Op dat moment slaan mijn stoppen door:

“En gij rijdt altijd in de mensen hun gat. Alsof dat veel veiliger is!”

Ik zet mijn headphones terug op en sla zonder nadenken een zijstraat in. Ik zet de volumeknop nog een streepje luider en trap me de ziel uit het lijf. Alsof ik zo de vernederingen beter van me af kan schudden. Even verder zie ik een immobord hangen waarop mijn vaders stomme kop staat te blinken. Ik neem fietsend een racket uit mijn tenniszak en fixeer mijn ogen op die van mijn kartonnen vader. Ik mep het bord aan diggelen en van de weerslag vliegt het racket uit mijn trillende handen. Tranen rollen over mijn wangen. Opnieuw, maar wel voor de eerste keer buiten mijn slaapkamer. Ik laat het vernielde racket liggen waar het is terechtgekomen en fiets doelloos de velden in.

Ik moet terugdenken aan mijn eerste tennisracket. Mama wou eigenlijk een racketje van de speelgoedwinkel kopen voor het geval ik er na enkele lessen de brui aan zou geven. Vader zag dat niet zitten want dat kwam toch zo goedkoop over. Het werd dus een racket van het merk Babolat. Ik ben het merk al tien jaar trouw, maar nu heb ik toch het gevoel dat ik de grip op mijn rackets én de sport kwijt ben.

Als ik de kerktoren van ons dorp nader, spot ik een vogelverschrikker. Ik krijg een geniaal idee. Alsof de koeien, de vogels, de wind, zeg maar het hele fucking universum, het mij in koor hebben ingefluisterd. Ik smijt mijn fiets aan de kant, neem mijn tenniszak en loop naar de strooien pop in het veld. Mijn woede maakt plaats voor pure opwinding. Ik neem mijn vuile kleren uit de tas en begin de pop aan te kleden. Ik steek er al mijn tennisrackets in. Hoe meer ik van mezelf geef aan de vogelverschrikker, hoe vrijer ik me voel. Ik loop terug naar m’n fiets en slinger mijn tennistas de gracht in. Tijd om naar de Nachtegalenlaan te fietsen en mijn vader te laten kennismaken met de nieuwe Thibault. Het kan me niet schelen dat hij daar met de dochter van de burgemeester staat. Vandaag heb ik een belangrijke match gewonnen.

Nutcase

De schaamte. Ik voel ze vooral hier, in de supermarkt. Mensen mijden oogcontact sinds ik de ronde doe als een virale infectie. Ze kijken me aan wanneer ik mijn boodschappenlijstje doorstreep of het etiket van een fles wijn lees. Hun geniepige blikken branden door mijn winterjas. Het is zelfs zo erg geworden dat ik mijn vlees niet meer laat afsnijden bij de slager. Voortaan koop ik alles voorverpakt. Wat maakt het ook uit. Alles heeft een wrange bijsmaak tegenwoordig.

 Ze zeggen dat mijn masker is afgevallen. Ze menen te weten wie ik nu écht ben. Maar wie was ik daarvoor dan? Iemand die de schijn ophield? Dat zeggen ze ook. En oké, ik was de controle verloren en de gevolgen zijn drastisch. Het is een jammerlijk feit uit een leven dat al 41 jaar braaf bestaat. Maar ben ik door het voorval veranderd? Ik geef de planten evenveel water als vroeger. Ik slaap nog altijd op mijn buik en ik kijk met evenveel spijt terug op bepaalde keuzes in mijn leven.

Maar goed. Het is dus gebeurd en veel mensen hebben het gezien. Ik ben nu officieel de nutcase van het dorp. De overdaad aan wijn en goedkope pralines in mijn winkelkar zullen die perceptie alleen maar voeden. Aan de kassa komen daar nog roddelboekjes bij. Mocht ik niet beter weten, ik zou denken dat het bewijs van mijn teloorgang naar de kassière schuift. Ik betaal de rekening en krijg er gratis een afkeurende blik van de winkelbediende bij. Wat een conservatief hol is dit toch.

En als ik eerlijk mag zijn: vóór de schaamte was ik trotst op mezelf. Fier op mijn daadkracht en uitstekend gevoel voor timing. Als een slechtvalk die in vrije val zijn prooi vangt. 12 jaar geleden, toen ik hem voor het eerst zag, had ik het lef nog niet. Hij kwam toen spreken over zijn investeringsplannen in de regio. Ik walgde van zijn dominante houding en vrouwonvriendelijk gezwets, maar als kersvers communicatiemedewerker van de gemeente deed ik wat van mij werd verwacht. Ik bedankte hem na zijn speech voor zijn kostbare tijd met een uitstekende fles Bordeaux. Hij nam de fles aan, gaf me een zoen en fluisterde onder luid applaus in mijn oor: “Heb je plannen vanavond, Barbie?” Ik was te geschokt om te reageren. Hij genoot van zijn macht.

Dat was ons laatste contact tot vorige maand, toen hij terug naar ons dorp kwam. Hij was hier niet om te spreken over de investeringen die uiteindelijk nooit zijn doorgegaan, maar om verkozen te worden. Ik overhandigde hem opnieuw een fles Bordeaux. Deze keer met een extraatje erbij. Om het in de woorden van de wereldpers te zeggen:

“Lady grabs Trump by the nuts after speech.”

 

Uit zo’n 500 inzendingen haalde ‘Nutcase’ de longlist (17 finalisten) van de schrijfwedstrijd ‘Barbiepop’. De wedstrijd was een initiatief van Schrijven Online en de Nederlandse Schrijversacademie.