Onverzettelijke traagheid

 

Ik keek naar mijn overbuur, de Berg. Hij lachte zijn flanken bloot. Van uitbundigheid was geen sprake, die was al geruime tijd geërodeerd. Ik voelde dat hij op me neerkeek. Boven hem hing een wolk van een middelvinger. De Berg liet me verstaan dat ‘de jaren van verstand’ niet bestaan als je alleen opkijkt naar je eigen bergwand. Dat bedoelde hij uiteraard metaforisch. Wie anders dan de Berg heeft het recht om te grossieren in beeldspraak. Hij vertelde me ook dat je gerust naar de hemel mag reiken, maar dat anderen altijd hoger zullen grijpen. Er bestaat immers een limiet op grenzen verleggen. Dat is wat zijn bovenste bomenrij mij wilde zeggen. Maar wat de Berg vooral in mijn hoofd wilde prenten, is dat je kan groeien door stil te staan. Ik keek dus naar mijn overbuur, de Berg, en besloot wat langer te blijven staan. Ik lachte terug, omdat hij zo vriendelijk was zijn onverzettelijke traagheid met mij te delen. Ook al ben ik maar een zucht in zijn ondoorgrondelijke leven.

 

Schermafbeelding 2018-07-11 om 15.40.38

Advertenties

Afscheid in Berchem

Een Toyota stopt aan het station van Berchem. De bestuurster snelt uit de wagen. Ze neemt een computertas van de achterbank en stapt naar de koffer van de auto. Ze staat daar eerder dan haar passagier, een zestiger die ietwat gekromd en verwaaid aan komt gewandeld. Hij pakt een kleine trolley uit de koffer en neemt dan onhandig de computertas aan. Ze omhelzen elkaar. De vrouw staat met haar rug naar mij en ik zie hoe de man zijn hoofd op haar schouder legt, zijn ogen sluit en glimlacht. Hij klopt enkele keren behoedzaam op haar rug en laat haar dan los. Zijn hand is even gekreukt als zijn beige kostuumvest. De man wandelt op zijn gemak richting de achteringang van het station. Hij wuift naar de Toyota die ondertussen wacht aan het stoplicht. Net voor hij verdwijnt in de pendelende massa, zwaait hij opnieuw.

Ondertussen staat er een andere wagen geparkeerd. Alleen de passagierster stapt uit. Haar blik en mondhoeken zijn naar de grond gericht. Ze neemt een schoudertas uit de koffer. Zonder de wagen een blik te gunnen, stapt ze kordaat het station binnen. Ook dit is afscheid nemen. Ik denk terug aan de oudere man. Zou de perrondrukte hem al uit zijn omhelzing hebben gerukt? Op de achterbank vraagt mijn zoon me of we nog op tijd zullen zijn op school. Ik antwoord dat hij zich geen zorgen hoeft te maken. Hij zou eens moeten weten hoe hard ik ernaar uitkijk om hem aan de schoolpoort een stevige knuffel te geven.

Brief aan Center Parcs

 

Beste Center Parcs

Door het slechte weer tijdens een weekendje in de Veluwe zijn we in het subtropisch zwembad van Het Meerdal beland. Twee zaken vielen mij op: veel dikke mensen en veel tattoos. Over die tweede constatatie ga ik niet uitwijden. Smaken verschillen. Ik schrijf u omdat ik het wil hebben over het groot aantal zwaarlijvige zwembadgangers, waaronder helaas ook kinderen. Mijn maag draait om als ik hen zie schransen van uw hamburgers en frieten. Niet dat ik ze dat niet gun -ik eet doorgaans ook vettiger als ik op vakantie ben – maar het gebrek aan gezonde maaltijden op uw domein is volgens mij niet meer van deze tijd. Uiteraard biedt u ook (gebonden) soepen en salades aan, maar dat is geen olympisch minimum waard. Wat ik zag in het vet dat van uw glijbanen gleed, was het perverse orgelpunt van de industriële voedingsindustrie. Ik zag obese mannen en vrouwen wiens beproefde lichamen verslaafd zijn aan vetten, suikers en additieven. En u bent de welwillende feeder. All you can eat! Yes please! Als u dan zo goed als geen gezonde alternatieven voorschotelt, kan men niet anders dan toegeven aan de lokroep der vetzakkerij.

Begrijp me niet verkeerd. Ik acht u niet verantwoordelijk voor het collectieve overgewicht in onze contreien. U bent maar een radartje in een walgelijke voedingsmachine. Maar u kan wél het goede voorbeeld geven en uw maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen. Wat dacht u bijvoorbeeld van salad- en smoothiebars, meer vegan en veggie, meer natuurlijke producten? Het zijn de eerste dingen die in mij opkomen. Dus als u even brainstormt met uw medewerkers komt u vast op leukere, commercieel interessantere ideeën. Als festivalorganisatoren dat kunnen, mag dit voor u ook geen probleem zijn.

En ja, dat zal de horecakosten waarschijnlijk opdrijven. Maar u kan er ook nieuwe zieltjes mee winnen. Mijn kinderen hebben alvast een fantastische namiddag beleefd in uw zwemparadijs. Doe iets aan uw menu en we komen graag terug. Misschien zelfs wat vaker.

Vriendelijke groet,

Antony

 

5 april 1943

Op 5 april 1943 droppen Amerikaanse bommenwerpers maar liefst 600 bommen boven Mortsel. Op dat moment zit mijn grootvader op de schoolbanken. Hij overleeft het bombardement in tegenstelling tot vele klasgenootjes. 75 jaar later is het een stralende zondag. We maken een fietstochtje naar het herdenkingsmonument. Ik vertel Otto-Jan wat hier is gebeurd en hij wordt er stil van. Hij vindt het erg dat kindjes van zijn leeftijd en jonger zo kort hebben geleefd. Hij wandelt rustig tussen de witte kruisjes, leest de namen van enkele slachtoffers voor en maakt af en toe een buiging. Soms met de glimlach, want het blijft een zesjarige. Even later fietsen we naar de speeltuin. De kruisjes zijn vergeten en Otto-Jan zegt dat hij fietsen heerlijk vindt. Ik ben dankbaar dat mijn grootvader onder de juiste schoolbank is gedoken.

IMG_3895

Mijn schrijftwijfels

Ik ben een laatbloeier als schrijver. Dat is wat ik mezelf tenminste wijsmaak. Ik was namelijk 26 toen er voor het eerst een tekst uit mijn pen vloeide waar ik plezier aan beleefde. Puberale Engelse songteksten niet meegerekend. Enkele jaren later schreef ik mijn eerste gedicht en ik was dertig toen ik Letterkoekjes begon rond te strooien. Om maar te zeggen dat ik niet voldoe aan het cliché van de schrijver die al van kindsbeen af verhaaltjes verzint en boeken verslindt. Ik heb altijd graag gezongen en als enig kind had ik ook soms behoefte aan imaginaire vriendjes. Maar daar hield de creatie- en verteldrang op.

Tijdens mijn tienerjaren las ik enkel omdat het moest van de leraar Nederlands. Ik stak mijn neus tussen boeken van Anthony Horowitz omdat hij een naamgenoot was, en van Herman Brusselmans omdat hij niet vies van poezen was. Hun romans telden zelden meer dan 200 bladzijden. Ook dat speelde mee. Daarnaast lag mijn slaapkamervloer geregeld bezaaid met magazines van Humo en Playtennis. Geen haar op mijn hoofd dacht eraan een literair verantwoorde klassieker te lezen. Meer nog, ik wist niet wat dat was.

Als ik over mijn schrijfsels twijfel denk ik soms terug aan mijn jeugd zonder literatuur. Dan bekruipt mij het gevoel dat het schrijverschap diep vanbinnen niet in mij zit. En dat ik iemand wil zijn die ik niet ben. Die twijfels zitten helaas in mijn karakter ingebakken. Ik mag negen complimenten krijgen, als de tiende persoon mijn teksten bagger vindt, geraakt mijn zelfvertrouwen aan het wankelen. Zeker als die persoon zogezegd iets van schrijven kent. Ik verfoei soms die nood aan bevestiging.

Vooral bij poëzie is de onzekerheid groot. Dat konden jullie hier lezen. Maar de drang om poëtische teksten te schrijven (en te lezen) neigt steeds meer naar een verslaving waarvan ik niet wil afkicken. It’s here to stay. Ik begin een gedicht meestal met een zin, een idee of een verhaallijn in gedachten. Ik eindig meestal zonder die zin en een ander idee of verhaal. Daartussenin heb ik mij vloekend geamuseerd en de virtuele prullenmand gevuld. Ook de zoektocht naar mijn eigen poëtische stem vind ik boeiend, maar wel moeilijk. Of is die eigen literaire signatuur slechts een utopie, beste schrijvers?

Mijn eerste literaire optredens waren in ieder geval een ideaal forum om teksten te testen. De poëtische proza van ‘Achter De Vreugde’, ‘Zie Mij Hier Staan’ en ‘Wetten En Praktische Bezwaren’ doen het goed op een podium. En toeval of niet, het zijn fictieve teksten die vertrekken vanuit een gebeurtenis uit mijn leven. Vorige maand stuurde ik ook enkele gedichten naar een literair magazine. Vooral omdat ik uit was op feedback. Die heb ik gekregen en die was niet mals. Begrippen als ‘pathetisch’, ‘weinig concreet’ en ‘hoogdravend’ hakten er serieus op in. Zeker omdat ik niet zo ben. Het waren drie teksten waarvan ik dacht dat ze literair het meeste te bieden hadden, maar misschien zeggen ‘dat soort’ gedichten in mijn geval het minst.

Ik ben benieuwd waar ik als schrijver over zo’n vijf jaar zal staan. Wat zal ik verstaan onder poëzie? Welk soort teksten zal ik brengen, op en naast het podium? Zullen mijn teksten een herkenbare signatuur hebben? Of blijft alles vrolijk zoals het is? In ieder geval, jullie reacties zijn voor mij een gids die het hobbelige schrijfparcours nóg meer de moeite maakt. Want schrijven zal voor mij toch altijd een beetje onderweg zijn zonder bestemming.

Pauze!

Ik heb mezelf een pauze van twee weken gegund tussen twee jobs. Dat zijn twee weken waarin ik trager wil leven. Dat wil zeggen: artikels lezen die meer in de diepte gaan dan sensatiebeluste nieuwskoppen, aanschuiven aan de kassa in plaats van de zelfscan te gebruiken, om 15u aan de schoolpoort staan, musea bezoeken en gewoon thuis platen opleggen en door het raam staren met mijn pantoffels aan. Living the life, babies!

(o ja, en de to-dolijst afwerken die ik van de vrouw heb gekregen)

Klamme handen

Tijdens mijn studies zat ik eens in een discussie over kansarmoede in het onderwijs. De professor stelde dat elke jongere zou studeren, mocht hij of zij de kans krijgen. “Waarom zitten jullie hier anders?”, daagde hij ons uit. “Omdat ik twee linkerhanden heb.”, antwoordde ik nog voor zijn woorden koud waren. Het klonk als een grap, maar ik was zo serieus als de huisstijl van een bank. In mijn kindertijd werd ik voortdurend geconfronteerd met een gebrek aan praktisch intellect. Bepaalde dingen kon ik gewoonweg niet. Ik had het inzicht niet, maar kreeg ook de tijd niet om tot inzicht te komen. Mensen zagen me sukkelen of aarzelen en schoten meteen in actie. Ze namen het werk uit mijn handen en ik vond dat prima. Ook al was ik vaak beschaamd. Door mijn angst om gezichtsverlies te lijden was ik bovendien continu op mijn qui-vive voor pottenkijkers. Kleine dingen – zoals een brood snijden in de supermarkt of het schoolbord vegen zonder mijn mouwen nat te maken – werden in mijn hoofd een groot issue. Zeker als er mooie meisjes in de buurt waren.

Anno 2017 ben ik nog steeds onhandig en dat is oké. Het zal nooit anders zijn. Zo moet je me ’s morgens niet vragen om het haar van mijn dochtertje samen te binden tot een staart. Het geduld van kleuters kent zijn grenzen en de kans is klein dat de staart – of iets wat daarvoor moet doorgaan – standhoudt nadat ik haar fietshelmpje heb opgezet. Ook de veiligheidsriempjes van de fietsstoel hebben mij al tot de waanzin gedreven. De strijd tegen de schoolbel is dan ook genadeloos. Andere handelingen die jij waarschijnlijk met de vingers in de neus uitvoert, maar die mijn handen klammig maken: een verhuisdoos openvouwen ook al staat de handleiding op de doos, de draad van mijn oortjes ontwarren, een lekke fietsband plakken, armaturen hangen en ga zo maar door. Ik doe het wel, maar zelden zonder gevloek. En ik ben mij nog steeds bewust van mijn omgeving als ik mijn handen moet gebruiken. Gelukkig kan ik er ondertussen mee lachen als er wordt gegniffeld achter mijn rug. Want het mooie meisje dat me al 15 jaar met de glimlach een handje toesteekt, is van mij. In goede en in onhandige tijden.