Tattoo & Baudelaire

Het is gebeurd. Na jaren twijfelen heb ik een hand poked tattoo laten zetten van de reuzenalbatros. Ik ben heel tevreden van het resultaat, gelukkig maar.

Tijdens de les poëziegeschiedenis aan de SchrijversAcademie maakte ik overigens kennis met l’albatros van de Franse dichter Charles Baudelaire (1821-1867). Wat een prachtig gedicht! De geslaagde vertaling is van Paul Claes.

Poëzie is vaak spelen met klank. In het Frans klinkt dat nog beter, zeker als Baudelaire de verzen schrijft. Ik raad jullie aan om de originele versie eens luidop te lezen.

L’albatros uit Zwarte Venus – 50 gedichten uit Les Fleurs Du Mal.

Animal encounter

Soms beland je in een scène waarvan je weet dat je kinderen het zich nog lang zullen herinneren.

Neem nu zondag één september. Het was middernacht. Moe maar voldaan kwam ik thuis van het optreden van Amenra in het OLT. Ik doe mij sneakers uit en hoor mijn vrouw fluisteren: ‘Schattie, er zit een beest vast in het zolderluik.’ Ze fluistert zo luid dat ze evengoed niet had kunnen fluisteren. ‘Een beest?’, antwoord ik, waarna ik voorzichtig de trap opwandel met mijn blik strak op het luik gericht. ‘Shiiiiiiit … Wadisdavooriet!?’, reageer ik op het ondefinieerbare wezen. Mijn vrouw haalt haar schouders op en zegt dat ik het moet wegdoen. Dat is nu eenmaal het lot van de man in huis. Die moet ongewenste, ondefinieerbare wezens verwijderen. Ondertussen plakt onze zoon aan haar been. Hij voelt de spanning waarin zijn ouders zich hebben gewenteld. Om mezelf uitstel te geven van deze penibele taak, zeg ik dat ik even ‘grote insecten in België’ ga googelen. Wie weet herken ik het beest in de afbeeldingen die Google mij voorschotelt. Kennis heeft iets geruststellends, vind ik. Terwijl ik de insecten met afschuw bekijk, hoor ik plots gegil. Het beest heeft zich losgemaakt. ‘EEN VLEERMUIS!’, krijst mijn vrouw. Geen insect dus, maar een zoogdier. Het diertje vliegt de kamer van mijn dochter in die haar oogjes net had geopend door de paniek in huis en plots een vleermuis boven haar ziet fladderen. Nog meer gegil. Vrouw, zoon en dochter verschansen zich in onze slaapkamer. Ik ben ondertussen naar mijn zoon zijn kamer geglipt. Van daaruit kan ik de vleermuis gadeslaan. Ik roep naar mijn vrouw: ‘IK GA EVEN GOOGELEN WAT JE MOET DOEN ALS ER EEN VLEERMUIS IN HUIS ZIT.’ Mijn vrouw doet hetzelfde. Oké, we weten snel wat ons te doen staat: het licht in de kamer waar de vleermuis zit, aansteken en in een donkere kamer het raam openzetten. Na mezelf moed in te spreken, schiet ik in actie. Door de spleet van de deur zie ik de vleermuis schichtig fladderen in mijn dochter haar kamer. Ik spurt naar de badkamer en smijt de deur achter me dicht. Daar open ik het raam en doe ik het licht uit. Ik spurt terug naar de veilige basis, de kamer van mijn zoon, om op adem te komen. Mijn vrouw roept dat ik niet te lang moet talmen want er zou een tweede vleermuis binnen kunnen vliegen. Als een ninja sluip ik naar de kamer des onheils. De vleermuis fladdert op ooghoogte, dus instinctief ga ik diep door de benen. Ik passeer onze slaapkamer en door de deurspleet zie ik de ogen van mijn vrouw. Zij en onze kinderen giechelen omwille van mijn rare gedrag. Ik voel me tamelijk belachelijk, dat moet gezegd. Ik slaag erin om het licht aan te steken in de vleermuiskamer en spurt naar mijn gezin. Vrouw en kinderen liggen ondertussen in een deuk. Enkele minuten later lijkt de kust veilig, maar niemand heeft de vleermuis naar buiten zien vliegen. Mijn vrouw – die ondertussen een hoofddoek heeft gemaakt van een roze sjaal ter bescherming van haar haren voor een potentieel klauwende vleermuis – en ik sluipen samen naar de vleermuiskamer. We speuren het plafond af maar er hangt niets. Ook achter deuren en kasten is geen vleermuis te vinden. Missie volbracht. Ondertussen is het kwart na één.

Enkele dagen later in de klas zit mijn zoon in een kring. De juf vraagt aan de kinderen of ze deze zomer spannende dingen hebben meegemaakt. Mijn zoon vat het als volgt samen: ‘Er zat een vleermuis binnen en mijn papa vluchtte naar het toilet.’ Los van het feit dat dit een flagrante leugen is, vergat hij erbij te vermelden dat ik die vleermuis heb bevrijd! Eigenlijk ben ik de held van het verhaal. Ook al is het maar een pantoffelheld.

SchrijversAcademie

Nieuws van het poëziefront! In september start ik met de tweejarige opleiding poëzie aan de SchrijversAcademie van Creatief Schrijven. Mijn doel? Bijleren, geïnspireerd worden en werken aan die eerste bundel.

Hieronder vinden jullie de motivatiebrief die ik stuurde. Zo krijgen jullie een beter zicht op mijn poëtische plannen. Die brief verzond ik samen met een selectie van zes teksten die het best passen bij de bundel die ik voor ogen heb. Dat zijn: nachtkastje, leegstand, vliegtuigmodus, vanavond laten wij de hemel blozen, roze als beenham en onverzettelijke traagheid.

Beste jury,

zes jaar geleden schreef ik een brief aan mezelf. Het was een opdracht in functie van het Basisjaar Literair Schrijven. Als ik de brief nu lees, denk ik terug aan de tweestrijd die ik toen ervoer. Ik wou me op aanraden van docent John Vervoort kandidaat stellen voor de SchrijversAcademie, maar het was op dat moment te hectisch in mijn leven. Nu schrijf ik meer dan ooit (7 à 10u), ook al is het nog even druk als toen. Maar er is geen tv meer en ik heb leren schrijven op momenten dat het huis slaapt. Mijn teksten variëren van poëzie tot proza, van quotes tot song- en autobiografische teksten en alles ertussen. Steeds vaker vloeien er gedichten uit mijn pen. Poëzie is een noodzaak geworden. En daar wil ik met plezier tien uur per week aan wijden.

Ik heb een literair project voor ogen. Ik wil het gewone leven en de kleine dagen eren met poëtische teksten die herkenbaarheid oproepen. Ik wil schijnbaar banale situaties bijzonder maken en een lans breken voor traagheid en reflectie in een snel veranderende wereld. De teksten die ik bij deze motivatiebrief voeg, passen binnen mijn literair project. Het zijn trouwens gedichten die ik graag op een podium breng. Zo stond ik het voorbije halfjaar op verschillende ‘podia voor woord’: Ballonnenvrees (Mechelen), De Sprekende Ezels (Turnhout), Zeghetmettekst (Hasselt), Smeltkroezen (NL), Hotsy Totsy (Gent) en Winteroogst (Antwerpen). Ik deed ook mee aan de wedstrijd DichtSlamRap in het Nederlandse Boxtel, waar ik een van de twee winnaars werd in de prefinale en de top vijf haalde in de finale.

Waar ik op dit moment sta? Ik ben ervan overtuigd dat ik de laatste jaren progressie heb gemaakt in de zoektocht naar mijn eigen literaire stem. Dat merk ik ook aan de feedback van andere (podium)dichters en de juryleden van DichtSlamRap. Maar ik haal niet het niveau van de dichters die ik graag lees. Het kan scherper, origineler en eigenzinniger. En dan kijk ik graag naar de SchrijversAcademie om mij daarbij te helpen. Ik wil mijn literaire valkuilen beter leren omzeilen, weten waar in het literaire veld ik mij bevind en mij simpelweg laten inspireren.

Binnen twee jaar hoop ik een manuscript in handen te hebben waarmee ik naar uitgeverijen kan stappen. Van enkele gedichten wil ik ook een muzikale versie maken die ik bij de bundel als gratis download zou voegen. Via deze link vind je een garage-opname van het gedicht Onderstroom. De kwaliteit van de opname is bepaald niet professioneel, maar zo krijg je een idee.

Ik heb de voorbije jaren verschillende opleidingen gevolgd bij Creatief Schrijven. Als ik de cursussen zakelijk schrijven niet meereken, gaat het over: Basisjaar Literair Schrijven (2012-2013), scenario schrijven en column schrijven. De laatste jaren schrijf ik vooral poëzie en poëtische proza. Het is de weg die ik verder wil inslaan. Het is ook het genre waar ik het meeste voldoening uit haal als schrijver.

Enkele publicaties waar ik trots op ben: Top 100 Turing Gedichtenwedstrijd (2019), Het Gezeefde Gedicht (2018), eentweepowezie.be (2019), vier keer Tip Van De Week op Azertyfactor (waarvan 3 maal in 2018), Poemtata poëziebundel (2017), GEOOGST (online initatief van Zeghetmettekst, 2017), magazines van De Standaard en Het Nieuwsblad naar aanleiding van een schrijfwedstrijd van het Agentschap voor Natuur en Bos (2010).

Om mijn kansen bij een uitgeverij te vergroten, zal ik de komende maanden en jaren ook teksten sturen naar literaire magazines zoals Kluger Hans, Tijdschrift Ei enz. 

Zo. Nu ligt het in jullie handen. Ik duim voor mezelf tot ik kramp krijg.

Hartelijk,

Antony

 

De reuzenalbatros

Het was in het voorjaar van 2008. We zaten op een strand in Kaikoura, Nieuw-Zeeland, onder een staalblauwe hemel met een Seafood Basket in onze handen. We werden gebeld door een lokaal toerismebureau om te melden dat onze excursie naar de albatrossen op zee doorging. Een uurtje later zaten we op een klein bootje enkele kilometers van de fabelachtige kust. We zagen vogels met 3,5 meter spanwijdte door de lucht suizen en van dichtbij zaten ze te vechten om voedsel. Ik heb zelfs een (mislukte) foto waarbij een albatros landt op het water met op de achtergrond een dusky dolfijn die een pirouette draait in de lucht. Alles was perfect. Toen we die avond naar onze volgende bestemming reden met de ondergaande zon en de gloed van de dag op ons gezicht, zagen we in elkaars ogen dat dit een dag was om nooit meer te vergeten.

Vandaag kreeg ik voor Vaderdag een pin van de reuzenalbatros. Ik ben daar erg blij mee omdat ik die dag een beetje heb herbeleefd. Het is elf jaar later nog steeds een van de meest memorabele momenten uit mijn leven.

Stuurloos

We zijn minder beschaafd in de rol van chauffeur. Alsof er een chemische reactie in onze hersenen plaatsvindt van zodra we de motor starten. Ik spreek uit ondervinding, als bestuurder onder de bestuurders. De ene chauffeur is sneller geprikkeld dan de andere, maar het is duidelijk dat we ons vaak overdreven expressief uitdrukken wanneer een verkeerssituatie ons niet zint. Ik geef enkele redenen.

Je moet je punt maken met gebaren. Dat maakt het moeilijk om nuances te leggen. Populaire uitspattingen zijn: met opengesperde ogen (en soms ook mond) de wijsvinger tegen het voorhoofd tikken, neen knikkend je gezicht in je handen graven (wat mij gevaarlijk lijkt op de openbare weg) en de middelvinger, al dan niet met bijbehorende verwensingen die je door hun eenvoud en gangbaar gebruik makkelijk kan liplezen.

Autorijden is een overlevingstocht, vooral tijdens de spitsuren. We staan op scherp als we door de straten van een betonnen jungle laveren. Fouten maken kan dan ook zware gevolgen hebben. Maar je zit ook beschermd. Je kan je wagen vergrendelen en niemand weet wie je bent. Het enige dat tegen je gebruikt kan worden, is je nummerplaat. Dat heeft tot gevolg dat sommigen onder ons zich ongenaakbaar voelen achter hun stuur. En als de situatie écht uit de hand dreigt te lopen, kan je nog altijd wegstuiven gelijk een cowboy te paard.

En hoe is het met míjn rijgedrag gesteld? Meestal goed. Ik ben een gezapige chauffeur die voldoende afstand houdt en de snelheidslimieten respecteert. Ik maak me vooral druk wanneer andere chauffeurs in mijn gat plakken en zich kwaad maken omdat het voor hen niet snel genoeg gaat. Ik zal mijn ongenoegen alleen uiten als de tegenpartij begonnen is. Dan reageer ik soms voor ik heb nagedacht. Meestal met een blik die je in woorden het best kan omschrijven als wadistjong!

Een keer ging ik een stapje verder. Ik had onze auto op een parkeerplaats voor personen met een handicap gezet. Het was maar voor enkele minuutjes. Omdat we geen andere parkeerplaats vonden en we veel moesten uitladen, waaronder onze baby-dochter die toen enkele dagen in het ziekenhuis had gelegen. Toen ik mij net had geparkeerd, kwam een auto aangereden met een bejaard koppel in. De chauffeur zag rood van woede en ongeloof. En maar gesticuleren. Met een Maxi-Cosi, verzorgings- en boodschappentassen in onze handen gebaarden mijn vrouw en ik dat het maar voor even was. En dat ik meteen weer weg zou rijden. Er was trouwens nog een plekje voor personen met een handicap vrij. Maar dit was duidelijk een principekwestie. De oude man stond op ontploffen. Ik kreeg het op mijn heupen, zette de boodschappen neer en stapte stoerder dan ooit (denk aan slowmotionbeelden van een actieheld die naar de camera toe komt gewandeld om de wereld te redden) naar de fulminerende man. Ik moet indruk hebben gemaakt, want hij zat er plots als versteend bij, schoof zijn autoraampje toe en reed achteruit van me weg. Mijn vrouw lag in een deuk. Zo kent ze mij niet. Zelden was ik zo lachwekkend in haar ogen. Het zoveelste bewijs dat agressieve uitlatingen niet in mijn natuur liggen. Maar in de ogen van één koppel zal ik voor altijd crapuul zijn.

Zwerfvuilactie

Vandaag kwamen Otto-Jan en ik op straat voor het klimaat. Niet door te betogen, wel door mee te doen met een zwerfvuilactie van Natuurpunt. Regen of niet, Otto-Jan was in zijn nopjes. Met zijn klimaatzwaard greep hij elk stukje ecologische onverschilligheid bij de kraag. Vooral verpakkingen van Snickers, chips en ander snoepgoed vielen bij hem in de smaak. Verder zagen we blikjes, doekjes en vooral sigarettenpeuken langs de fietsostrade in Lint. Af en toe kwamen er mensen voorbij die hun duim opstaken of ons bedankten voor het werk. Vooral de goedkeurende blik van twee agenten deed Otto-Jan glunderen.

Uiteraard doen we dit voor de natuur en niet voor de schouderklopjes, maar ik ben blij dat Otto-Jan zelf heeft ondervonden dat je vaak iets terugkrijgt voor een nobele daad. En dat is dankbaarheid.

Foto: Nick Schryvers

Complimenten aan mezelf

 

Schermafbeelding 2018-12-16 om 21.08.34

“Een compliment geeft vleugels. Laat het geen eendagsvlieg zijn.”
Deze quote schreef ik eerder dit jaar naar aanleiding van wereldcomplimentendag.

Ik geloof in de kracht van complimenten. Ik geef en krijg ze graag. Ik wuif ze ook vaak weg. Want wat je goed doet in de ogen van anderen, vind je zelf vaak vanzelfsprekend. Toch geef ik complimenten een plaats in de vitrine van mijn geheugen. Als het vertrouwen mij in de steek laat, kijk ik ernaar. En dan zie ik mezelf groeien in haar reflectie. Naar aanleiding van de mooie blogpost van Kathleen heb ik de vitrine afgestoft. Ik geef jullie enkele complimenten mee die me al jaren plezieren. Hoe klein ze ook zijn. Here we go.

Come on, fist!” Tennismakkers noemden mij The Fist tijdens mijn tienerjaren. Ik gaf nooit op en maakte een vuist als ik mezelf wou oppeppen na een felbevochten punt. Die bijnaam heeft het beste in mij naar boven gemept.

Touché D’Anvers.” Tennisleraar vond dat ik een uitstekend balgevoel had.

In het zesde middelbaar kregen we van de leraar Nederlands de opdracht om het klaslokaal te beschrijven. Ik had toen niet veel met literatuur. Laat staan dat ik uit vrije wil schreef. Mijnheer Goossens las na de opdracht een passage uit mijn tekst voor. In mijn herinnering is het ook de enige tekst die hij heeft gebracht, maar ik kan mij vergissen. Ik vind het jammer dat ik die tekst niet bewaard heb. Het was iets met een ‘eeuwig traag tikkende klok’ en ‘stoffige boeken’.

De complimenten van de jury voor de vlotte schrijfstijl van mijn thesis. (ook al staan er veel schrijffouten in, dat merkte ik enkele jaren later).

De ex-collega’s van mijn eerste job die altijd uitkeken naar mijn ‘geanimeerd’ verslag van de vergadering.

Vrienden en kennissen die uit het niets zeggen dat ze mijn teksten graag lezen. En de erkenning van andere schrijvers, dichters, bloggers en kunstenaars. Jaja, het streelt mijn ego.

Vrienden die in de loop der jaren hebben gezegd dat ze trots op me zijn, of blij zijn dat ze mij kennen. En vrienden die het appreciëren dat ik zo kan genieten van kleine dagen.

Mijn moeder die zegt dat ik goed kan relativeren.

Mijn echtgenote die zegt dat ze bij mij tot rust komt.

Het enthousiasme van mijn kinderen als ik thuiskom.
Want complimenten worden niet altijd uitgesproken.

Nadenken over de lofredes die me zijn bijgebleven lucht op. Ik kan iedereen aanraden de oefening eens te maken. Want iedere persoon heeft een mooie vitrine op zijn of haar manier. Jullie geven die van mij alleszins extra glans. Merci.