Mijn schrijftwijfels

Ik ben een laatbloeier als schrijver. Dat is wat ik mezelf tenminste wijsmaak. Ik was namelijk 26 toen er voor het eerst een tekst uit mijn pen vloeide waar ik plezier aan beleefde. Puberale Engelse songteksten niet meegerekend. Enkele jaren later schreef ik mijn eerste gedicht en ik was dertig toen ik Letterkoekjes begon rond te strooien. Om maar te zeggen dat ik niet voldoe aan het cliché van de schrijver die al van kindsbeen af verhaaltjes verzint en boeken verslindt. Ik heb altijd graag gezongen en als enig kind had ik ook soms behoefte aan imaginaire vriendjes. Maar daar hield de creatie- en verteldrang op.

Tijdens mijn tienerjaren las ik enkel omdat het moest van de leraar Nederlands. Ik stak mijn neus tussen boeken van Anthony Horowitz omdat hij een naamgenoot was, en van Herman Brusselmans omdat hij niet vies van poezen was. Hun romans telden zelden meer dan 200 bladzijden. Ook dat speelde mee. Daarnaast lag mijn slaapkamervloer geregeld bezaaid met magazines van Humo en Playtennis. Geen haar op mijn hoofd dacht eraan een literair verantwoorde klassieker te lezen. Meer nog, ik wist niet wat dat was.

Als ik over mijn schrijfsels twijfel denk ik soms terug aan mijn jeugd zonder literatuur. Dan bekruipt mij het gevoel dat het schrijverschap diep vanbinnen niet in mij zit. En dat ik iemand wil zijn die ik niet ben. Die twijfels zitten helaas in mijn karakter ingebakken. Ik mag negen complimenten krijgen, als de tiende persoon mijn teksten bagger vindt, geraakt mijn zelfvertrouwen aan het wankelen. Zeker als die persoon zogezegd iets van schrijven kent. Ik verfoei soms die nood aan bevestiging.

Vooral bij poëzie is de onzekerheid groot. Dat konden jullie hier lezen. Maar de drang om poëtische teksten te schrijven (en te lezen) neigt steeds meer naar een verslaving waarvan ik niet wil afkicken. It’s here to stay. Ik begin een gedicht meestal met een zin, een idee of een verhaallijn in gedachten. Ik eindig meestal zonder die zin en een ander idee of verhaal. Daartussenin heb ik mij vloekend geamuseerd en de virtuele prullenmand gevuld. Ook de zoektocht naar mijn eigen poëtische stem vind ik boeiend, maar wel moeilijk. Of is die eigen literaire signatuur slechts een utopie, beste schrijvers?

Mijn eerste literaire optredens waren in ieder geval een ideaal forum om teksten te testen. De poëtische proza van ‘Achter De Vreugde’, ‘Zie Mij Hier Staan’ en ‘Wetten En Praktische Bezwaren’ doen het goed op een podium. En toeval of niet, het zijn fictieve teksten die vertrekken vanuit een gebeurtenis uit mijn leven. Vorige maand stuurde ik ook enkele gedichten naar een literair magazine. Vooral omdat ik uit was op feedback. Die heb ik gekregen en die was niet mals. Begrippen als ‘pathetisch’, ‘weinig concreet’ en ‘hoogdravend’ hakten er serieus op in. Zeker omdat ik niet zo ben. Het waren drie teksten waarvan ik dacht dat ze literair het meeste te bieden hadden, maar misschien zeggen ‘dat soort’ gedichten in mijn geval het minst.

Ik ben benieuwd waar ik als schrijver over zo’n vijf jaar zal staan. Wat zal ik verstaan onder poëzie? Welk soort teksten zal ik brengen, op en naast het podium? Zullen mijn teksten een herkenbare signatuur hebben? Of blijft alles vrolijk zoals het is? In ieder geval, jullie reacties zijn voor mij een gids die het hobbelige schrijfparcours nóg meer de moeite maakt. Want schrijven zal voor mij toch altijd een beetje onderweg zijn zonder bestemming.

Advertenties

Gargellen

 

Het is 10.00u. Ik trek de veters van mijn wandelschoenen strak aan en snuif de berglucht op. Vandaag neem ik tijd voor mezelf. Ik start met een klim naar de grens tussen Oostenrijk en Zwitserland. Het is een natuurlijke grens in de vorm van een bergkam die ik een tijdje moet volgen. Die bergkam is erg smal en bezaaid met rotsen waar ik over moet klauteren, soms met knikkende knieën omwille van mijn hoogtevrees. Denk dus niet dat ik tijdens deze wandeling aan zelfreflectie doe. Gewoon voetje voor voetje gefocust stappen en genieten van het lekkere weer en de fenomenale vergezichten. Na een uurtje dalen zet ik me op een bank om een broodje met bergkaas te eten. Ik hoor plots de hemel trommelen en zie de donkere wolken achter mij rollen over de bergen. Dit is niet conform de weersvoorspellingen! De groene berg voor mij verandert in een monster waar zelfs het Reisgenootschap van de Ring voor zou terugkeren. Tijd om te vertrekken dus. En snel, want in de bergen weet je toch maar nooit. Twintig minuten later sta ik voor een splitsing met een tijdsindicatie voor de rest van de wandeling naar mijn eindbestemming. Naar links: Gargellen 1 uur. Naar rechts: Gargellen 1 uur. Dit soort keuzestress was mij nog onbekend. Ik besluit de richting te volgen die volgens mij het snelst naar het bos leidt, weg van het onweer dat de bergkam ondertussen heeft opgeslokt. Het klettert en het flitst en ik wandel nog steeds in de open vlakte. Evenwijdig met de boomgrens zo’n 100 meter onder mij, wat zeer frustrerend is. Lichte paniek toch. Ik versnel en verzwik 2 keer mijn enkel. Rustig blijven, kerel. Waar zijn al die andere hikers trouwens? Op het hoogtepunt van het onweer draai ik eindelijk het bos in om dan recht in de ogen van een paard te kijken dat zo te zien ook niet gediend is met de klimatologische omstandigheden. Net als de andere paarden die hem (of haar) volgen op het bergpad. Nu, ik weet dat paarden menslievende dieren zijn, maar dat gehinnik en gebries staat mij toch niet aan. Straks krijg ik nog een hoef tegen mijn bakkes. Ik besluit uit het zicht van de paarden te schuilen onder een dennenboom. Voor de regen, de donder en de bliksem, maar ook voor die paarden. Na een kwartier schuilen staan er nog steeds 2 exemplaren dwars over het pad te grazen. Het onweer drijft ondertussen gelukkig voorbij. Op het moment dat ik het erop wil wagen, komt een groepje wandelaars goedgeluimd mijn richting uit. Ik zou ze wel kunnen omhelzen! Ik sluit me bij hen aan en – uiteraard – zetten de paarden gewoon een stapje opzij. Twintig minuten later bereik ik de vallei waar ik naar uitkeek, maar mijn hoofd zit nog steeds in de wolken na een intense dag.

Zie mij hier staan

 

Zie mij hier staan in het midden van de living in een kamerjas vol slaap. Afwezig kijk ik naar de bevroren tuin. De vrieskou vaagt alle kleur weg die de herfst nog rest. De kat van de buren triomfeert met een muis in haar bek. Of is het een jonge fret? De ochtend is interessanter als hij nog op onscherp staat.

Zie mij hier staan in het gebulder van een huishouden. De geur van wasverzachter met preisoep ligt zwaar op m’n nuchtere maag. Ik hou dat voor mezelf want ik ben van het dankbare type. Jij ook en dat maakt de lucht tussen ons zo zoet.

Zie mij hier staan in het midden van een vloer bezaaid met verhalen. Er rijden auto’s over mijn blote voeten en een ballon kust mijn hoofd. Ik hoor mijn naam, steeds luider, en ik denk: laat me alsjeblief nog even afwezig zijn. En dan volgt de snok aan mijn kamerjas.

Zie mij hier nu staan, naakt en erg aanwezig, in de kalme chaos van een luie zondag.

Nutcase

De schaamte. Ik voel ze vooral hier, in de supermarkt. Mensen mijden oogcontact sinds ik de ronde doe als een virale infectie. Ze kijken me aan wanneer ik mijn boodschappenlijstje doorstreep of het etiket van een fles wijn lees. Hun geniepige blikken branden door mijn winterjas. Het is zelfs zo erg geworden dat ik mijn vlees niet meer laat afsnijden bij de slager. Voortaan koop ik alles voorverpakt. Wat maakt het ook uit. Alles heeft een wrange bijsmaak tegenwoordig.

 Ze zeggen dat mijn masker is afgevallen. Ze menen te weten wie ik nu écht ben. Maar wie was ik daarvoor dan? Iemand die de schijn ophield? Dat zeggen ze ook. En oké, ik was de controle verloren en de gevolgen zijn drastisch. Het is een jammerlijk feit uit een leven dat al 41 jaar braaf bestaat. Maar ben ik door het voorval veranderd? Ik geef de planten evenveel water als vroeger. Ik slaap nog altijd op mijn buik en ik kijk met evenveel spijt terug op bepaalde keuzes in mijn leven.

Maar goed. Het is dus gebeurd en veel mensen hebben het gezien. Ik ben nu officieel de nutcase van het dorp. De overdaad aan wijn en goedkope pralines in mijn winkelkar zullen die perceptie alleen maar voeden. Aan de kassa komen daar nog roddelboekjes bij. Mocht ik niet beter weten, ik zou denken dat het bewijs van mijn teloorgang naar de kassière schuift. Ik betaal de rekening en krijg er gratis een afkeurende blik van de winkelbediende bij. Wat een conservatief hol is dit toch.

En als ik eerlijk mag zijn: vóór de schaamte was ik trotst op mezelf. Fier op mijn daadkracht en uitstekend gevoel voor timing. Als een slechtvalk die in vrije val zijn prooi vangt. 12 jaar geleden, toen ik hem voor het eerst zag, had ik het lef nog niet. Hij kwam toen spreken over zijn investeringsplannen in de regio. Ik walgde van zijn dominante houding en vrouwonvriendelijk gezwets, maar als kersvers communicatiemedewerker van de gemeente deed ik wat van mij werd verwacht. Ik bedankte hem na zijn speech voor zijn kostbare tijd met een uitstekende fles Bordeaux. Hij nam de fles aan, gaf me een zoen en fluisterde onder luid applaus in mijn oor: “Heb je plannen vanavond, Barbie?” Ik was te geschokt om te reageren. Hij genoot van zijn macht.

Dat was ons laatste contact tot vorige maand, toen hij terug naar ons dorp kwam. Hij was hier niet om te spreken over de investeringen die uiteindelijk nooit zijn doorgegaan, maar om verkozen te worden. Ik overhandigde hem opnieuw een fles Bordeaux. Deze keer met een extraatje erbij. Om het in de woorden van de wereldpers te zeggen:

“Lady grabs Trump by the nuts after speech.”

 

Uit zo’n 500 inzendingen haalde ‘Nutcase’ de longlist (17 finalisten) van de schrijfwedstrijd ‘Barbiepop’. De wedstrijd was een initiatief van Schrijven Online en de Nederlandse Schrijversacademie.

25 jaar life is music – vol.5

 

22 mei 2011 rond 14u. Otto-Jan Samson is geboren en hij ziet er een beetje blauw uit. “Alles is oké”, zegt de vroedvrouw. We worden meteen geconfronteerd met een bezorgdheid die alleen ouders kennen. Een bezorgdheid die vermoedelijk nooit meer zal weggaan. En nu de kleine man in leven houden. Hypervoorzichtig en altijd in stilte voor de dutjes en de borstvoeding. Plaatjes draaien is even uit ten boze. Om toch aan mijn muzikale trekken te komen, ga ik wat vaker naar de supermarkt (headbangend achter het stuur) en poets ik de badkamer grondiger dan ooit (schrobbend tegen 120 bpm). Maar het is een feit dat ik nieuwe albums niet meer met dezelfde intensiteit kan beluisteren als in de jaren negentig.

Na de stilte volgt de storm. Op het moment dat ik terug de volumeknop durf open te draaien, vult Otto-Jan de huiskamer met Studio 100 en konsoorten. Ik moet de airplay thuis voortaan delen met een peuter. Geweldig hoe hij zijn eigen interpretatie geeft aan de songteksten! Ik zie hem zó graag bezig, maar ben ook blij als hij gaat slapen. Dan gun ik mezelf een shot rust met de donkere pianoparels van Dustin ‘O Halloran, Ólafur Arnalds en Nils Frahm. Alsof ze mijn ziel masseren met hun soepele vingers. Geen zang, alleen een piano, strijkers en de klank van de woorden die ik laat op de avond typ als De Letterkoek.

Januari 2013. Ik word fulltime betaald als copywriter en moet daar geregeld voor in mijn wang knijpen. Ideeën bedenken en schrijven mag, neen moet, nu ook tussen 9 en 18u (en vaak later). En we mogen muziek spelen op de werkvloer. Als het mijn beurt is, zet ik vaak de nieuwe platen van Local Natives, The National en Nick Cave & The Bad Seeds op. De openbaring van het jaar is Daughter. Ik leer de Britse band kennen dankzij Duyster. Zoals de naam van het beste muziekprogramma ooit doet vermoeden, speelt Daughter donkere muziek. Als je op hun album If You Leave zoekt naar lichtpuntjes, kijk je best diep in de prachtige, groene ogen van frontvrouw Elena Tonra. Wat een stem, wat een talent, wat een hartverscheurend mooie muziek.

Nog mooier: 29 juli 2014 rond 14u. We hebben er een dochter bij en ze heet Suzanne Samson. Ze zorgt voor nog meer vreugde, verwondering en schreeuwerige kinderliedjes.

In 2015 kan ik na jaren twijfelen toch niet weerstaan aan de vinylhype. Ik koop een platenspeler. Ik weet niet of het met het medium of mijn leeftijd te maken heeft, maar ik luister steeds vaker naar de pioniers van de pop- en rockmuziek. Bands zoals The Beach Boys, The Stooges en The Zombies, maar ook singer-songwriters zoals Nick Drake en Leonard Cohen. Dit is misschien een dure hobby aan het worden, maar met vinyl toon je meer respect voor muziek dan met een mp3. Een plaat opleggen is letterlijk een diepe buiging maken voor de muziek waar je naar luistert. En de bijbehorende downloadcode is uiteraard mooi meegenomen.

15 oktober 2016. Ik leg voor de zoveelste keer Skeleton Tree van Nick Cave & The Bad Seeds op terwijl ik het laatste deel uit deze reeks afwerk. Ik ben er nu al van overtuigd dat deze pijnlijk mooie plaat mij binnen 25 jaar nog zal bijblijven. De muziek waar ik de voorbije kwarteeuw naar heb geluisterd, was vaak gebonden aan een tijdperk. Maar het gevoel van helemaal verslingerd te zijn aan een album is tijdloos. Dan lijkt er niks veranderd sinds 1991. Dan voel ik me net zoals die headbangende puber op de achterbank, de verliefde tiener op zijn fiets of de jonge kerel die de frustraties muzikaal van zich af schreeuwt. Op die momenten sta ik nog steeds te zingen in de badkamer met een deo als micro. Naakt. En dan beloof ik mezelf om dit binnen 25 jaar nog steeds te doen.

schermafbeelding-2016-10-15-om-13-00-05

 

 

 

25 jaar life is music – vol. 4

 

6 November 2006. In Annelies haar slaapkamer is de kalender blijven steken op 3 juni. Vandaag gaat ze voor het eerst sinds de dood van haar vader naar een optreden. We gaan kijken naar Sufjan Stevens in de Vooruit. Zijn album Illinois is een meesterwerk. Het ene moment leidt hij je naar een ranch op de Amerikaanse prairie, met enkel zijn fluisterstem als gezel in het zwakke licht van een knisperende open haard. Andere songs droppen je middenin een fanfare met cheerleaders die dolenthousiast hun pompons in je gezicht duwen. Sufjan neemt je mee op roadtrip door de tweede Amerikaanse staat waar hij een album aan wijdt. Benieuwd of hij het niveau kan aanhouden voor de 48 staten die hem nog resten.

In een van die staten – Wisconsin – trekt Justin Vernon zich terug in een berghut om het liefdesverdriet van zich af te schrijven. 3 maanden later komt hij terug met For Emma, Forever Ago. Zijn band heet Bon Iver en de muziek die ze maken klinkt even puur en rauw als de plek waar hun frontman ze geschreven heeft. Ook Peter Broderick (met Home), Sun Kil Moon (met April) en Antony & The Johnsons (met The Crying Light) maken pijnlijk mooie albums. Ze sporen mij aan tot introspectie. Want waar zou ik mij écht mee willen bezighouden tussen 9 en 6? Ik weet het niet, maar ik besef ondertussen wel dat ik graag schrijf. Vraag me niet waar het vandaan komt, maar ik kan het niet laten om stukjes proza te verwerken in de verslagen van de salesmeetings. Het gaat vanzelf en de salesmanager is blij dat die verslagen eindelijk worden gelezen. Misschien moet ik mij toch maar inschrijven voor die cursus copywriting bij Syntra.

Ik neem pen en papier ook mee voor onze eerste grote reis samen naar Nieuw-Zeeland. We zijn amper geland en ik sleur Annelies mee naar de cd-afdeling van een groot warenhuis. “Muziek voor onderweg”, overtuig ik haar. Zij kiest de Greatest Hits van Lenny Kravitz (alleszins beter dan G. Michael) en ik ga voor de jongste worp van Jack Johnson. Beide artiesten komen er niet meer aan te pas als ik in een platenzaak in Wellington Sea Lion van het Nieuw-Zeelandse The Ruby Suns leer kennen. Een album dat klinkt zoals Nieuw-Zeeland eruitziet: divers, exotisch en onvoorspelbaar. De ideale soundtrack van een onvergetelijke reis bij de Kiwi’s met de vrouw van mijn leven.

27 juni 2009. Onze openingsdans heet “The Luckiest” van Ben Folds. Een tip van Bert. De vriend die de ene geniale cover na de andere uit zijn keyboard en stembanden tovert op onze dag.

De periode na de trouw maken we enkele reizen naar plaatsen waar onze mond openvalt van de natuurpracht. We trekken 3 weken rond in Noord-Argentinië en een half jaar later zitten we in IJsland. In Reykjavik wandel ik een plantenwinkel binnen. Ik vraag de uitbater naar IJslandse tips en stap een uurtje later buiten met steengoede platen van For A Minor Reflection en Seabear. Die laatste groep speelt indierock, een belachelijk breed muziekgenre waartoe ook de uitstekende muziek van Tame Impala, The Arcade Fire, Beach House en Grizzly Bear behoort. Deze bands inspireren mij. Ik zet hun muziek vaak op als ik mijn eindwerk afwerk voor de cursus copywriting. Ik haal meer dan 90% met felicitaties van de jury. Ik ben bijna 29. Tijd om een job in de reclame te zoeken.

schermafbeelding-2016-10-08-om-21-23-27

25 jaar life is music – vol.3

 

2000. Het is eind september en het academiejaar is begonnen. Ik ga in de klas naast een goedlachse blondine zitten. Ze blijkt net als ik grote fan te zijn van de Britse comedyreeks The Fast Show. Ze heet Annelies en na één lesuur lijkt het of ik haar al jaren ken. Van verliefdheid is nochtans geen sprake. Het feit dat ze naar George Michael luistert is dan ook een serieus minpunt. Geef dan maar het hyperkinetische Relationship Of Command van At The Drive-In. Als ik dit cd’tje opleg, voelt het alsof ik instant een rode peper in mijn gat krijg geduwd. Ook United by faith van Rival Schools en het coveralbum Renegades van Rage Against The Machine draaien dezer dagen met hetzelfde effect rondjes in mijn cd-speler.

Ik draai ook rondjes, namelijk op de parking van de Makro. Een half jaar later haal ik mijn rijbewijs. In de auto van mijn ma zet ik de muziek zo luid als ik wil en schreeuw ik mijn stem naar de vernieling. Ik probeer een tegengewicht te vormen voor de luidruchtige Johnny’s van deze wereld, ook al heb ik geen woofers die heel mijn koffer in beslag nemen. Soit, dit is de vrijheid waar ik naar verlangde. En die vrijheid leidt mij steeds vaker naar Annelies. Ze luistert nog steeds naar George Michael, maar ik geloof dat ik haar muzikale smaak wel kan bijsturen. De dag na onze eerste kus leen ik haar de debuutplaat van Arid uit. Een instapper zeg maar. Want je kan niet vroeg genoeg investeren in je relatie. Ik geef haar ook enkele zelfgemaakte compilaties waarop toegankelijke rock staat met een tegenritme. Dat heeft ze graag. En toch belanden die cd’s altijd in mijn handschoenenkastje.

Verder valt 2002 een beetje tegen op muzikaal vlak. Mijn hoogtepunt is Songs For The Deaf van de Queens Of The Stone Age. Woestijnvos Josh Homme zingt sexy, catchy refreinen met venijnige weerhaken en Dave Grohl mept zich de geschiedenis in op deze plaat. De Queens zijn een inspiratiebron voor Enuresis, de band waarvan ik de zanger ben. We repeteren in de kelder van het oude gemeentehuis in Kapellen, waar we door het kelderraam een mooi zicht hebben op fraaie en minder fraaie benen die passeren. Fun über alles, ook al vergaat het lachen mij als ik tijdens de repetitie mijn kauwgom uitspuug in een overvolle asbak. Mijn ogen staan in de fik. De bandleden spreken maanden later nog over een ‘legendarisch momentje’.

De komende jaren luister ik vooral naar de usual suspects. Alles klinkt erg vertrouwd tot Sigur Rós mijn pad kruist. De androgyne frontman bespeelt zijn elektrische gitaar met een strijkstok. Dat klinkt even onheilspellend als de Eyjafjallajökull die op uitbarsten staat. Donker en dreigend, maar vooral betoverend mooi. Hun album Takk is dé plaat van 2005. Ik vertel mijn maat Johan – de wandelende bibliotheek van de duistere muziek – over deze ontdekking en krijg prompt enkele postrockcompilaties in mijn handen geduwd. Daarop staan meeslepende pareltjes van onder andere Explosions In The Sky, This Will Destroy You en Cult Of Luna. Na de eerste luisterbeurt voel ik dezelfde opwinding als toen ik Nirvana, Faith No More en Deftones leerde kennen. Een extase die trouwens een nieuwe fase in mijn leven aankondigt als Master Handelswetenschappen: die van de werkende mens.

 

img_1350