Love game?

Het zat zo: nadat de laatste bal geslagen werd, liepen tennissers naar het net om elkaar de hand te schudden. Nadien kreeg de stoelscheidsrechter een bezwete pol van beide spelers. Toen kwam dat gemene virus. De tenniswereld lag stil als een verloren tennisbal in een of andere beek en na zo’n half jaar werd er weer gespeeld. De etiquette op het veld veranderde. Er werden geen handjes meer geschud maar rackets werden gekruist als degens. De scheidsrechter moest het voortaan doen met een knik, een opgestoken hand of een tik met het racket op de tip van zijn of haar schoen.

Vier (of vijf of zes?) coronagolven later mogen de spelers elkaar weer sportieve handshakes geven en elkaar in de armen vliegen als de match is afgelopen. Maar met de scheidsrechters is iets merkwaardigs aan de -euhm- hand. Je hebt spelers die als vanouds weer hun hand uitsteken, tennissers die een vuistje geven, luiaards die even knikken en – als ze het kunnen opbrengen – een flauw handje opsteken en klojo’s die de chair umpire geen blik waardig gunnen na de match. Meestal gaat het dan over de verliezer van de wedstrijd, wat had je gedacht.

Dat gebrek aan respect is stuitend. Een scheidsrechter negeren werd amper twee jaar geleden vaak op boe-geroep onthaald. En terecht. Het was iets dat opviel. Tegenwoordig lijkt het publiek daar niet meer van op te kijken. Dat respectloos gedrag brengt mij bij het volgende punt: woede-uitbarstingen van spelers gericht naar scheidsrechters. De uitval van John – chalk flew up! – McEnroe op Wimbledon is bekend, en onlangs zag ik de verbale waanzin van Daniil Medvedev tijdens de halve finale van de Australian Open. Of wat dacht je van Nick Kyrgios die een flesje drank richting scheidsrechtersstoel flikkerde en dan doodleuk vertelde dat het flesje uit zijn hand glipte. Entertainend? Zeg maar kinderachtig. In elke werksituatie (buiten de topsport) zou dit gedrag als problematisch worden beschouwd.

Wat mij keer op keer opvalt, is de kalmte die de scheidsrechters bewaren. Krijgen ze daar coaching voor? Ik vrees van niet, maar ik ben geen insider. Ik wacht eerlijk gezegd op het moment dat zo’n umpire na de zoveelste vernedering over de rooie gaat. Dat-ie zo’n toptennisser zijn vet geeft. Geen handjes die vanuit de hoge scheidsrechtersstoel tot kalmte aanmanen. Nee nee, gezwind uit die stoel springen, met een rood aangelopen kop briesend naar de speler stappen, zijn flesje water wegtrappen en eens goed zijn gedacht zeggen. Zou zijn (of haar) scheidsrechterscarrière in dat geval afgelopen zijn?

Een toptennisser krijgt een boete die hij na pakweg een weekje (of twee) tennissen bijeen heeft gespaard. En je moet al meerdere waarschuwingen hebben gekregen of een aanslag op iemand plegen om van het veld te worden gestuurd. Denk aan Novak Djokovic die uit frustratie een bal wegkeilde die ongelukkig een lijnrechter raakte in de hals, Dennis Shapovalov die op dezelfde manier de stoelscheidsrechter een blauw oog mepte en David Nalbandian die tegen een paneel trapte waardoor het been van een verbouwereerde lijnrechter begon te bloeden.

Gelukkig heb je nog toppers als Federer, Nadal en vele anderen die dergelijke fratsen niet nodig hebben. Zij laten hun racket spreken. Want bij een love game als tennis horen geen vuile woorden, hooguit gekreun. Zal ik anders een balletje opgooien? Ik roep internationale tennisfederaties en toptennissers op om hun leden en collega’s te wijzen op het belang van respect voor scheidsrechters, lijnrechters en ballenjongens en -meisjes.

Dat betekent volgens mij ook dat de beboeting moet herbekeken worden. Ik weet niet welke regels gelden, maar met een gemiddelde geldboete ga je top 100-spelers niet tot inzicht brengen. Opteren we beter voor een schorsing of een verlies van rankingpunten? Daar mogen experten (in samenspraak met de spelersraad) zich over buigen. Laten we vooral voorkomen in plaats van genezen, beste toppers. Toon respect en wijs je onbeschofte collega’s op hun voorbeeldrol. Zullen we dat bezegelen met een handdruk?

Meltdown Daniil Medvedev – bron: Getty Images

Terugblik op het Eurovisiesongfestival

Zaterdag, op de tiende verjaardag van mijn zoon na een uitgeregend dagje Bobbejaanland, keken we voor het eerst in pakweg twintig jaar naar het Eurovisiesongfestival. Na al dat gefoeter op rollercoasters – “papa, je mag geen ‘fuck’ zeggen” – hadden we daar zin in. De winnaars, glamrockers met een voorraadje cocaïne verstopt in een Italiaanse laars van de zanger, brachten een catchy rocksong waar ik echo’s in hoorde van Led Zeppelin, The Black Crowes en Royal Blood. Mijn zoon gaf het lied een tien op tien. Hij ontpopte zich als kenner tijdens zijn debuut als jurylid.

Ik kon me verzoenen met de einduitslag, maar ik voelde toch meer voor de frêle Française Barbara Pravi. Met haar vocale uithalen zorgde ze als enige kandidaat voor schokjes in mijn lijf. Ook de Zwitserse zanger kon mij bij vlagen ontroeren. Alleen jammer dat hij per se hoger wilde zingen dan de Matterhorn waardoor de bombast de kwetsbaarheid soms overstemde. Ik zag ook grappige optredens, van IJsland en Litouwen. Humor werkt nóg beter in pandemietijden, wanneer het lachen ons een beetje is vergaan.

Dat Hooverphonic niet zou winnen was voor de jury in de Groenstraat te Boechout al snel een uitgemaakte zaak. De song is oké, maar ik miste uitbundigheid of humor. Ook al vond ik de French crop van Alex Callier een verdienstelijke poging om op de lachspieren te werken. We leven al meer dan een jaar met de handrem op en iedereen is het zat. We willen uitspattingen en exuberantie. Misschien zelfs een beetje waanzin. Niet noodzakelijk in daden, maar toch minstens wanneer we kijken naar een show als het Eurovisiesongfestival. De Italianen hadden dat goed begrepen. En nee, ze hadden daar geen lijntje coke voor nodig trouwens. De zanger zat voorovergebogen omdat er een glas gevallen was. Scherven brengen geluk.

3 weken werken als zelfstandige in 3 paragrafen

Na drie weken werken als zelfstandige neem ik ‘tijdens de kantooruren’ voor het eerst de tijd om een plaat op te leggen en mij in de zonnige hoek van de zetel te nestelen met een mok koffie in mijn handen. Oorspronkelijk keek ik uit naar de zee van tijd genaamd april. Ik zou even gas terugnemen en eindelijk weer gedichten schrijven in daglicht. Het is anders uitgedraaid en dat is oké zo. Ik zou een rare zelfstandige zijn mocht ik zeggen dat ik liever geen werk heb. Het is druk geweest, ik heb zaken in gang gezet, ik heb gevloekt en geleerd en ik heb me trots maar ook naakt gevoeld. Ik zag het takenlijstje groeien. En af en toe waaiden er uit het niets ideeën mijn hoofd binnen, alsof ik de ramen na afwezigheid wagenwijd had opengezet om het boeltje te verluchten.

Het zelfstandigenstatuut geeft een gevoel van onzekerheid. Maar momenteel is het gevoel van onafhankelijkheid sterker. Ik voel me nu meer regisseur dan speler. Het is een prille verliefdheid, ik weet het, maar ik ben ervan overtuigd dat ik als freelancer mijn definitie van ambitie beter zal kunnen waarmaken. Want ambitie is voor mij geen carrièrewoord. Het is de zoektocht naar een leven zoals ik zelf vind dat het hoort. Wie ben ik? En wat doe ik hier? Schrijver Jeroen Olyslaegers stelde die vragen herhaaldelijk tijdens interviews. Ze zijn zowel pertinent als confronterend. Je kan er moeilijk een eenduidig antwoord op geven en je kan ze volgens mij best regelmatig opnieuw stellen. Misschien zouden wij in dat opzicht beter ‘zingeving’ dan ‘ambitie’ nastreven? Ook de planeet zou opgelucht ademhalen. Misschien kan zingeving zelfs onze grootste ambitie worden.

In de hoek van de zetel zijn mijn gedachten ook bij een vriend wiens jongere zus onverwacht en veel te vroeg is gestorven. We zijn allemaal kwetsbaar en gelukkig staan we daar niet te vaak bij stil. Maar het mag ons wel aanvuren om een leven te leiden zoals we dat zelf het liefst zouden willen, binnen de grenzen van onze mogelijkheden. Of er minstens over nadenken en op zoek gaan naar onze eigen zingeving in plaats van simpelweg te aanvaarden dat het leven ‘is wat het is’. De meesten onder ons hebben die luxe. Het is zoals mijn plaat die naar een einde is gedraaid; gelukkig is er altijd een B-zijde.

Surfer

Ik scrol op Facebook zoals ik vroeger zapte: breinloos. Mijn duim mag uiteindelijk uitrusten op een strand in Bali. Gebronzeerde jongens en meisjes huppelen met hun plankje langs de vloedlijn en ik denk terug aan mijn vroege tienerjaren. In mijn puberbeleving was niemand cooler en ongenaakbaarder dan een surfer. Lekker dollen met metershoge golven, je moet het maar durven. En dan die jaloersmakend gebleekte lange manen die altijd in de juiste richting wapperen. Het leidde ertoe dat ik mijn moeder vroeg om shampoo met kamille-extract te kopen. Tel daar nog de baggy shorts en T-shirts van surfmerken als Quicksilver, O’Neill en Billabong bij en ik werd een wannabe eerste klas.

Tijdens een zomervakantie aan de Azurenkust kochten mijn ouders me een bodyboard. Dat had niet het charisma van een surfplank, maar het was wel stoerder dan de opblaasbare matras waarmee ik het tot dan moest stellen. Ik bracht die vakantie van ’s morgens tot ‘s avonds in het zoute water door. De golven waren nochtans meelijwekkend. Ik moest wachten tot een groot schip voorbij de horizon gleed voor extra deining. Maar als ik in slaap viel, voelde ik de golfjes opnieuw over mij heen rollen. Ik vond het fijn om op die manier de nacht te omarmen.

Vele jaren later, in 2008, ervoer ik hetzelfde in een tentje op een camping aan de Atlantische kust. Ik verbleef er met mijn lief (nu mijn vrouw) en vrienden in Lacanau. De kust was onstuimig. Met mijn surfboard onder de arm waande ik me de surfer die tot dan zo onbereikbaar was. Elke dag tegen de golven in pedellen, positie kiezen, 180° draaien, omkijken en dan op het juiste moment aanzetten, rechtkomen en … meteen kopje onder gaan. Als ik pech had kreeg ik bovendien het surfboard tegen m’n afgepeigerde smikkel. Neen, ik had geen talent. Maar de drang om het keer op keer opnieuw te proberen was onweerstaanbaar. Het onbereikbare heeft een grote aantrekkingskracht.

Dit jaar word ik veertig. Als ik toch nog een weelderige surfcoupe wil, zal ik eerst een Turkse haarkliniek moeten bezoeken om nadien blonde highlights te laten zetten. Dat zal er nooit van komen. Daar mag je zo zeker van zijn als van eb en vloed. Maar het bodyboard uit mijn puberjaren heb ik nog steeds in mijn bezit. Voor de kinderen uiteraard, dat maak ik mezelf wijs. Want eerlijk gezegd kan ik niet wachten om zélf met het kinderplankje de Noordzee te bestormen. Nu nog wachten op een zomer zonder meelijwekkende golven.

Ode aan een verguisd muziekgenre

Tijdens mijn ouderschapsverlof heb ik een aantal voornemens opgesteld waarmee ik je nu niet ga vervelen. Ik heb ze nog niet opgeschreven maar ze zitten klaar in mijn hoofd als bankzitters die zich opwarmen om eindelijk te mogen invallen. Eén van die voornemens is meer beweging, onder andere via avondwandelingen.

En zo geschiedde na een videocall van meer dan vier (!) uur. Spotify stond op shuffle. Nick Cave liet me engelen in de wolken zien, Nils Frahm schilderde landschappen met zijn piano en Corey Taylor van Slipknot brulde het doek zonder pardon aan flarden. Er volgde meer nu-metal, een verguisd muziekgenre dat metal combineert met puberale teksten en andere stijlen zoals hiphop, rock, reggae, pop en dance. De playlist slingerde mij terug naar de late nineties. Dit was de muziek waarmee ik mijn speakers en ouders terroriseerde. Ik droeg toen baggy jeans, bandshirts en Adidas-sneakers die je nu weer in het straatbeeld ziet. Mijn haar stond stijf van de gel en ik had net als mijn muzikale helden een sik en bakkebaarden. Vooral Deftones, Korn, Limp Bizkit en Slipknot waren een uitlaatklep in onzekere tijden.

Waarom vind ik nu-metal van toen twintig jaar later nog steeds aanstekelijk? Nostalgie is mijlenver de belangrijkste reden. Maar de cocktail van zware gitaren, aanstekelijke zanglijnen – afgewisseld met grunts en screams (ofwel gebrul) – en beats en breaks die je in een club verwacht, ontketent het beest in mij. Zo vind je me weleens headbangend en meebrullend achter het stuur als ik tegen dertig kilometer per uur door de dorpskern rijd. Helaas heeft de muziekindustrie met dollartekens in de ogen nu-metal geprostitueerd. Boysbands met dezelfde tattoos, sikjes, gelpiekjes en eyeliners maar met minder talent teerden op het succes van voornoemde protagonisten. De woede die mij aansprak in de bands die ik geweldig vond, klonk gemarket bij hun klonen. Hun inspiratieloze deuntjes luidden meteen het einde in van een genre dat hooguit vijf jaar mocht proeven van de roem.

Terug thuis van de avondwandeling was ik benieuwd naar hoe die gasten er tegenwoordig uitzien. Het antwoord is simpel: hetzelfde, maar tien kilo dikker, minder haar om piekjes van te maken, dikkere eyeliner en meer tattoos. Van al die bands volg ik alleen Deftones nog op de voet. Hun muziek (én hun garderobe) is continu geëvolueerd zonder krampachtig hip of radiovriendelijk te willen zijn. De zanger, Chino Moreno, is fan van Morissey, The Cure, PJ Harvey en Nick Cave. Dat duister kantje hoor je in zijn zanglijnen. Deftones is verre van mainstream en jullie vinden het misschien bagger. Dat maakt niet uit. Minder aan verwachtingen willen voldoen, is ook een van die voornemens die ik in mijn hoofd heb geprent.

Een van hun bekendste songs uit White Pony (2000).

Introvert & creatief

“Antony, zeg jij eens iets. Jij bent toch creatief?”

Ik zat in een inspiratieloze vergaderruimte toen zo’n twintig collega’s plots hun hoofden naar mij draaiden. Het enige wat toen in mij opkwam, was het schaamrood op de wangen. Een flauw lachje volgde. Ik had tijdens deze brainstorm inderdaad niet veel gezegd. En de vraag die me gesteld werd, maakte het alleen maar erger. Ik voelde me nutteloos en belabberd.

Ja, ik ben creatief. En ik ben ook introvert.

Als bedrijven en organisaties op zoek gaan naar een creatief idee, wordt vaak aan een brainstorm gedacht. En dat is deels terecht. Mits een goede voorbereiding kan het tot verrassende inzichten en ideeën leiden. Alleen voelt niet iedereen zich comfortabel bij die manier van creëren. Het is een vorm van creativiteit op de werkvloer die vooral extraverten aanspreekt. Het groepsgebeuren is de vlam die zijn of haar inspiratie aanwakkert.

Aanstekelijk? Vast en zeker. Maar creativiteit werkt ook anders.

Ik heb ruimte nodig om op mezelf te creëren. Geef mij de mogelijkheid en de tijd om diep na te denken en ik kom met weldoordachte (en liefst originele) oplossingen aankloppen die hand in hand gaan met brainstorms. Bedrijven en organisaties hebben er dus alle belang bij om een omgeving te scheppen waar zowel extraverte als introverte creatieve medewerkers op hun best zijn. Daar kunnen ze best ook rekening mee houden als ze een vacature* de wereld insturen.

Ook de introverte, creatieve medewerker of sollicitant moet zijn verantwoordelijkheid nemen. Hij of zij moet duidelijk communiceren hoe het creatieproces bij hem of haar het beste werkt. Dat is voor iedereen anders. De termen introvert en extravert zijn ook maar twee uiteinden van een spectrum. Een introvert voor twintig man aansporen om een brainstorm te redden, is alleszins een slecht idee. Anders zou ik er tien jaar na datum niet naar refereren in een blogpost over creativiteit en introversie.

*tip voor ondernemers en HR-professionals: vermijd de samenstelling ‘creatieve duizendpoot’. Alle creatieve profielen draaien met hun ogen als ze dat lezen. Wees liever zo concreet mogelijk.

August van Putlei

Ik fietste van mijn huisarts in Deurne naar huis via de August van Putlei. Het was jeugdsentiment dat mij daartoe had aangezet. Twintig jaar na mijn middelbareschoolcarrière ben ik harder veranderd dan het gelaat van deze straat. Huid is vergankelijker dan steen. Ik keek rond, snoof de lucht van melancholie op en probeerde het gevoel van toen te herbeleven. Even zat ik weer op mijn stoere citybike.

Ik dacht terug aan het meisje met de mysterieuze blik en blonde krullenbol. Ik fietste, zij wandelde en soms keken we mekaar secondenlang aan tijdens het kruisen. Maar misschien fietsen mijn herinneringen in slow-motion. Ik zie ze naar me glimlachen, spaarzaam zoals de Mona Lisa. Tijdens die momentjes ging mijn hart wild tekeer en domineerde deze schoonheid mijn gedachten tijdens de rest van de rit. Nooit had ik het lef om haar aan te spreken. Er moet een moment geweest zijn dat we elkaar voor het laatst zagen zonder het te weten.

Ik dacht ook terug aan toen ik mijn middelvinger uitstak naar een roekeloze chauffeur die toeterde en mij rakelings voorbij vlamde terwijl ik naast een vriendje fietste. De chauffeur stopte abrupt, stapte uit en wachtte mij met gekruiste armen op. Toen ik hem naderde, slingerde hij verwensingen naar mijn puberhoofd. Dat is wat ik mij herinner, maar het geheugen neemt je voortdurend in de maling.

Ik dacht ook terug aan het nabijgelegen voetbalpleintje waar ik na schooltijd tot een afgesproken uur tegen een bal trapte en joints doorgaf zonder er zelf aan te trekken. Voor het overige herinner ik me bitter weinig van de August van Putlei. Het is ook maar een banale straat. En toch: waar zat ik aan te denken, al die jaren met de wind in de haren? Ik zou eens terug in dat dromerige hoofd willen kruipen. Dacht ik soms aan later?

Dag Boechout, mijn naam is Antony

Wij wonen langer dan vier jaar in Boechout en ik ben nog steeds nieuw in het dorp. Als introvert heb je meer tijd nodig om een vertrouwd gezicht te worden. Mijn vrouw daarentegen heeft ondertussen een sociaal netwerk uitgebouwd. Ook zij is introvert, maar minder fanatiek. Op woensdag doet ze haar ronde in het commerciële hart van het dorp. Op vier jaar tijd wissel je wel eens wat woorden uit. De groenteboerin weet met welke afgeprijsde groenten en fruit ze mijn vrouw plezier doet, de kapper zwaait met zijn schaar in de hand als ze voorbij zijn salon loopt en de bakker weet ondertussen dat onze zoon hem later wil opvolgen.

Ook ik doe weleens boodschappen, maar tegen mij zijn de winkeliers gewoon … klantvriendelijk. Ik ervaar niet de hartelijkheid die mijn vrouw te beurt valt. Mijn gezicht blijft te nieuw. Dat komt omdat ik voltijds werk en daarom minder winkel, maar het ligt ook aan mijn persoonlijkheid. Als ik bijvoorbeeld naar het scoutslokaal of de atletiekclub ga om mijn zoon af te halen, groet ik de andere ouders met een bescheiden knikje. Ik sta vervolgens waar niemand anders staat. Ik kijk naar de wolken, naar mijn schoenveters, weer naar de wolken, even slinks naar enkele andere ouders die staan te wachten, ik knik gedag als ze mij hebben betrapt, kijk naar de kruinen van de bomen en ik onderdruk de neiging om mijn smartphone te nemen. Mijn vrouw pakt het beter aan.

Zij knikt, net als ik, vriendelijk gedag en gaat dan bij een andere ouder staan die naar wolken of bomen kijkt. Ze zoekt een aanknopingspunt om een gesprek te starten en de trein is vertrokken. De volgende keer dat ze die persoon ontmoet, gaat het er al wat hartelijker aan toe. Haar sociale netwerk breidt uit. Verder jogt ze in dezelfde atletiekclub als onze zoon en staat ze op het punt om zich te engageren voor een ecologische ‘samentuin’. Ik ben ervan overtuigd dat haar aanpak een gezonde en duurzame manier is van samenleven.

Zou ik niet liever een stuk van mijn tijd die nu voor een werkgever is, investeren in vrienden, de lokale gemeenschap en mezelf? Sinds anderhalf jaar werk ik af en toe als vrijwillig redacteur voor het lokale magazine van Het Natuurpunt en bevrijd ik weleens wegen en beken van zwerfvuil. En enkele weken geleden heb ik enkele ideeën ge-e-maild naar de Boechoutse jeugddienst (die enthousiast werden onthaald!). Het is een begin, maar ik voel de nood naar meer tijd voor engagement en initiatieven met gelijkgestemden, ook op artistiek vlak trouwens. Introversie is in ieder geval een slecht excuus om alles bij het oude te laten.

Drie weken #blijfinuwkot

Ik zit nu drie weken in mijn kot met vrouw en kinderen en we stellen het nog steeds opperbest. Zoon en dochter vliegen elkaar weleens in de haren maar dat was voor Corona niet anders. Neen, eigenlijk gedragen ze zich voortreffelijk. De verveling is nog niet toegeslagen. Dat heb ik dus nog niet als drogreden kunnen inroepen om een pingpongtafel aan te schaffen. Maar ik wacht geduldig mijn kans af. We zijn nog niet halverwege.

Ik vind het fijn om zo veel tijd met mijn gezin door te brengen. Of tenminste, ik vind het fijn dat mijn huisgenoten zo nabij zijn. Want ik moet werken, net zoals mijn vrouw. Ik maak wat tijd voor ze vrij in de voormiddag, als de koffie doorloopt, we lunchen samen en in de namiddag snij ik (of Annelies) voor iedereen fruit. Tegen zes uur klap ik mijn laptop toe.

Ik ben dankbaar. Voor de zon waardoor mijn werkplek ‘s ochtends baadt in het zonlicht, voor de vogels die fluiten, voor de kinderen die op de achtergrond giechelend kampen bouwen, voor de geur van warm eten die het einde van de werkdag aankondigt.

Ik draag al drie weken geen lange broeken meer. Shorts zijn veel aangenamer, zelfs als de buitentemperatuur amper tien graden bedraagt. Sokken draag ik alleen als ik ga joggen. Ik zie er verwilderd uit, maar dat is eerder luiheid dan lockdown. En ik heb uitslag op mijn handen van het vele wassen.

In juli hebben we een maand ouderschapsverlof in de agenda staan. Daarvan zouden we drie weken in Frankrijk doorbrengen. Ik kruis mijn geïrriteerde vingers dat die plannen mogen doorgaan.

#blijfinuwkot – week 1

De eerste week thuiswerk zit erop. Wat heb ik geleerd?

1. Mijn kinderen (5 en 8 jaar) kunnen zich uitstekend bezighouden. Oké, het huis lijkt sinds de milde lockdown op één groot hindernissenparcours, maar het zij zo. Er staat voorlopig geen maat op hun fantasie en inventiviteit. En ze spelen meestal goed samen. Dat is een zegen, want ik kan mijn job niet combineren met het beantwoorden van duizend-en-een waarom-vragen, waarop ik vaak geen antwoord weet. Dat ligt aan mezelf, maar ook aan de werkdruk die geen onderscheid maakt tussen thuis- of kantoorwerk. O wat klink ik aanstellerig verwend als je mijn situatie vergelijkt met moedige zorgwerkers.
2. Ik word niet gelukkig van videovergaderingen in groep. Het format ligt me niet. Ik voel me bekeken. Je verschijnt in een klein kadertje tot je je mond opendoet en je plots in het groot voor iedereen zichtbaar bent. Zelfs een kuchje (‘oei, Corona?’) volstaat om in het middelpunt van de digitale belangstelling te staan. Sommige gesprekspartners plakken trouwens erg dicht tegen hun camera, waardoor ze heel mijn laptopscherm vullen. Dan deins ik achteruit. Virtual social distancing zeg maar.
3. Ik ben dankbaar voor ons huis, filterkoffie, onze tuin en de zingende vogels die zich geen hol aantrekken van Corona. Ik voel mee met gezinnen die het moeten stellen met een klein appartement. Als daar maar geen gezinsdrama’s van komen. Ik word ook woest van bepaalde politieke beslissingen. Zo las ik dat opvangcentra tijdelijk sluiten waardoor asielzoekers en hun kinderen op straat belanden. ‘#blijfinuwkot’ is een slogan die niet voor iedereen opgaat.
4. Ik ben plichtsbewust. Dat wist ik al en het is weer bevestigd. Ik zet me thuis even hard in voor m’n werk als op kantoor. Mijn vrouw vindt dat ik daar soms in overdrijf en ze heeft gelijk.
5. Bij ingrijpende veranderingen denk je meer na over je leven, je job en hoe het anders kan. Wordt vervolgd.

Morgen begint een tweede thuiswerkweek. Mijn gedachten gaan uit naar de slachtoffers en hun naasten, en de zorgwerkers die elke dag levens redden. Wil je zelf een bijdrage leveren? Op het platform http://www.hulpvoorhelden.be kan je je opgeven om te koken, te wassen, om mondmaskers te maken, te bellen met eenzame hoogbejaarden enz. Mijn vrouw, die ook thuiswerkt, heeft zich ingeschreven en ik zal haar helpen waar nodig. Ik heb wel één veto gesteld: geen kinderopvang.