Introvert & creatief

“Antony, zeg jij eens iets. Jij bent toch creatief?”

Ik zat in een inspiratieloze vergaderruimte toen zo’n twintig collega’s plots hun hoofden naar mij draaiden. Het enige wat toen in mij opkwam, was het schaamrood op de wangen. Een flauw lachje volgde. Ik had tijdens deze brainstorm inderdaad niet veel gezegd. En de vraag die me gesteld werd, maakte het alleen maar erger. Ik voelde me nutteloos en belabberd.

Ja, ik ben creatief. En ik ben ook introvert.

Als bedrijven en organisaties op zoek gaan naar een creatief idee, wordt vaak aan een brainstorm gedacht. En dat is deels terecht. Mits een goede voorbereiding kan het tot verrassende inzichten en ideeën leiden. Alleen voelt niet iedereen zich comfortabel bij die manier van creëren. Het is een vorm van creativiteit op de werkvloer die vooral extraverten aanspreekt. Het groepsgebeuren is de vlam die zijn of haar inspiratie aanwakkert.

Aanstekelijk? Vast en zeker. Maar creativiteit werkt ook anders.

Ik heb ruimte nodig om op mezelf te creëren. Geef mij de mogelijkheid en de tijd om diep na te denken en ik kom met weldoordachte (en liefst originele) oplossingen aankloppen die hand in hand gaan met brainstorms. Bedrijven en organisaties hebben er dus alle belang bij om een omgeving te scheppen waar zowel extraverte als introverte creatieve medewerkers op hun best zijn. Daar kunnen ze best ook rekening mee houden als ze een vacature* de wereld insturen.

Ook de introverte, creatieve medewerker of sollicitant moet zijn verantwoordelijkheid nemen. Hij of zij moet duidelijk communiceren hoe het creatieproces bij hem of haar het beste werkt. Dat is voor iedereen anders. De termen introvert en extravert zijn ook maar twee uiteinden van een spectrum. Een introvert voor twintig man aansporen om een brainstorm te redden, is alleszins een slecht idee. Anders zou ik er tien jaar na datum niet naar refereren in een blogpost over creativiteit en introversie.

*tip voor ondernemers en HR-professionals: vermijd de samenstelling ‘creatieve duizendpoot’. Alle creatieve profielen draaien met hun ogen als ze dat lezen. Wees liever zo concreet mogelijk.

August van Putlei

Ik fietste van mijn huisarts in Deurne naar huis via de August van Putlei. Het was jeugdsentiment dat mij daartoe had aangezet. Twintig jaar na mijn middelbareschoolcarrière ben ik harder veranderd dan het gelaat van deze straat. Huid is vergankelijker dan steen. Ik keek rond, snoof de lucht van melancholie op en probeerde het gevoel van toen te herbeleven. Even zat ik weer op mijn stoere citybike.

Ik dacht terug aan het meisje met de mysterieuze blik en blonde krullenbol. Ik fietste, zij wandelde en soms keken we mekaar secondenlang aan tijdens het kruisen. Maar misschien fietsen mijn herinneringen in slow-motion. Ik zie ze naar me glimlachen, spaarzaam zoals de Mona Lisa. Tijdens die momentjes ging mijn hart wild tekeer en domineerde deze schoonheid mijn gedachten tijdens de rest van de rit. Nooit had ik het lef om haar aan te spreken. Er moet een moment geweest zijn dat we elkaar voor het laatst zagen zonder het te weten.

Ik dacht ook terug aan toen ik mijn middelvinger uitstak naar een roekeloze chauffeur die toeterde en mij rakelings voorbij vlamde terwijl ik naast een vriendje fietste. De chauffeur stopte abrupt, stapte uit en wachtte mij met gekruiste armen op. Toen ik hem naderde, slingerde hij verwensingen naar mijn puberhoofd. Dat is wat ik mij herinner, maar het geheugen neemt je voortdurend in de maling.

Ik dacht ook terug aan het nabijgelegen voetbalpleintje waar ik na schooltijd tot een afgesproken uur tegen een bal trapte en joints doorgaf zonder er zelf aan te trekken. Voor het overige herinner ik me bitter weinig van de August van Putlei. Het is ook maar een banale straat. En toch: waar zat ik aan te denken, al die jaren met de wind in de haren? Ik zou eens terug in dat dromerige hoofd willen kruipen. Dacht ik soms aan later?

Dag Boechout, mijn naam is Antony

Wij wonen langer dan vier jaar in Boechout en ik ben nog steeds nieuw in het dorp. Als introvert heb je meer tijd nodig om een vertrouwd gezicht te worden. Mijn vrouw daarentegen heeft ondertussen een sociaal netwerk uitgebouwd. Ook zij is introvert, maar minder fanatiek. Op woensdag doet ze haar ronde in het commerciële hart van het dorp. Op vier jaar tijd wissel je wel eens wat woorden uit. De groenteboerin weet met welke afgeprijsde groenten en fruit ze mijn vrouw plezier doet, de kapper zwaait met zijn schaar in de hand als ze voorbij zijn salon loopt en de bakker weet ondertussen dat onze zoon hem later wil opvolgen.

Ook ik doe weleens boodschappen, maar tegen mij zijn de winkeliers gewoon … klantvriendelijk. Ik ervaar niet de hartelijkheid die mijn vrouw te beurt valt. Mijn gezicht blijft te nieuw. Dat komt omdat ik voltijds werk en daarom minder winkel, maar het ligt ook aan mijn persoonlijkheid. Als ik bijvoorbeeld naar het scoutslokaal of de atletiekclub ga om mijn zoon af te halen, groet ik de andere ouders met een bescheiden knikje. Ik sta vervolgens waar niemand anders staat. Ik kijk naar de wolken, naar mijn schoenveters, weer naar de wolken, even slinks naar enkele andere ouders die staan te wachten, ik knik gedag als ze mij hebben betrapt, kijk naar de kruinen van de bomen en ik onderdruk de neiging om mijn smartphone te nemen. Mijn vrouw pakt het beter aan.

Zij knikt, net als ik, vriendelijk gedag en gaat dan bij een andere ouder staan die naar wolken of bomen kijkt. Ze zoekt een aanknopingspunt om een gesprek te starten en de trein is vertrokken. De volgende keer dat ze die persoon ontmoet, gaat het er al wat hartelijker aan toe. Haar sociale netwerk breidt uit. Verder jogt ze in dezelfde atletiekclub als onze zoon en staat ze op het punt om zich te engageren voor een ecologische ‘samentuin’. Ik ben ervan overtuigd dat haar aanpak een gezonde en duurzame manier is van samenleven.

Zou ik niet liever een stuk van mijn tijd die nu voor een werkgever is, investeren in vrienden, de lokale gemeenschap en mezelf? Sinds anderhalf jaar werk ik af en toe als vrijwillig redacteur voor het lokale magazine van Het Natuurpunt en bevrijd ik weleens wegen en beken van zwerfvuil. En enkele weken geleden heb ik enkele ideeën ge-e-maild naar de Boechoutse jeugddienst (die enthousiast werden onthaald!). Het is een begin, maar ik voel de nood naar meer tijd voor engagement en initiatieven met gelijkgestemden, ook op artistiek vlak trouwens. Introversie is in ieder geval een slecht excuus om alles bij het oude te laten.

Drie weken #blijfinuwkot

Ik zit nu drie weken in mijn kot met vrouw en kinderen en we stellen het nog steeds opperbest. Zoon en dochter vliegen elkaar weleens in de haren maar dat was voor Corona niet anders. Neen, eigenlijk gedragen ze zich voortreffelijk. De verveling is nog niet toegeslagen. Dat heb ik dus nog niet als drogreden kunnen inroepen om een pingpongtafel aan te schaffen. Maar ik wacht geduldig mijn kans af. We zijn nog niet halverwege.

Ik vind het fijn om zo veel tijd met mijn gezin door te brengen. Of tenminste, ik vind het fijn dat mijn huisgenoten zo nabij zijn. Want ik moet werken, net zoals mijn vrouw. Ik maak wat tijd voor ze vrij in de voormiddag, als de koffie doorloopt, we lunchen samen en in de namiddag snij ik (of Annelies) voor iedereen fruit. Tegen zes uur klap ik mijn laptop toe.

Ik ben dankbaar. Voor de zon waardoor mijn werkplek ‘s ochtends baadt in het zonlicht, voor de vogels die fluiten, voor de kinderen die op de achtergrond giechelend kampen bouwen, voor de geur van warm eten die het einde van de werkdag aankondigt.

Ik draag al drie weken geen lange broeken meer. Shorts zijn veel aangenamer, zelfs als de buitentemperatuur amper tien graden bedraagt. Sokken draag ik alleen als ik ga joggen. Ik zie er verwilderd uit, maar dat is eerder luiheid dan lockdown. En ik heb uitslag op mijn handen van het vele wassen.

In juli hebben we een maand ouderschapsverlof in de agenda staan. Daarvan zouden we drie weken in Frankrijk doorbrengen. Ik kruis mijn geïrriteerde vingers dat die plannen mogen doorgaan.

#blijfinuwkot – week 1

De eerste week thuiswerk zit erop. Wat heb ik geleerd?

1. Mijn kinderen (5 en 8 jaar) kunnen zich uitstekend bezighouden. Oké, het huis lijkt sinds de milde lockdown op één groot hindernissenparcours, maar het zij zo. Er staat voorlopig geen maat op hun fantasie en inventiviteit. En ze spelen meestal goed samen. Dat is een zegen, want ik kan mijn job niet combineren met het beantwoorden van duizend-en-een waarom-vragen, waarop ik vaak geen antwoord weet. Dat ligt aan mezelf, maar ook aan de werkdruk die geen onderscheid maakt tussen thuis- of kantoorwerk. O wat klink ik aanstellerig verwend als je mijn situatie vergelijkt met moedige zorgwerkers.
2. Ik word niet gelukkig van videovergaderingen in groep. Het format ligt me niet. Ik voel me bekeken. Je verschijnt in een klein kadertje tot je je mond opendoet en je plots in het groot voor iedereen zichtbaar bent. Zelfs een kuchje (‘oei, Corona?’) volstaat om in het middelpunt van de digitale belangstelling te staan. Sommige gesprekspartners plakken trouwens erg dicht tegen hun camera, waardoor ze heel mijn laptopscherm vullen. Dan deins ik achteruit. Virtual social distancing zeg maar.
3. Ik ben dankbaar voor ons huis, filterkoffie, onze tuin en de zingende vogels die zich geen hol aantrekken van Corona. Ik voel mee met gezinnen die het moeten stellen met een klein appartement. Als daar maar geen gezinsdrama’s van komen. Ik word ook woest van bepaalde politieke beslissingen. Zo las ik dat opvangcentra tijdelijk sluiten waardoor asielzoekers en hun kinderen op straat belanden. ‘#blijfinuwkot’ is een slogan die niet voor iedereen opgaat.
4. Ik ben plichtsbewust. Dat wist ik al en het is weer bevestigd. Ik zet me thuis even hard in voor m’n werk als op kantoor. Mijn vrouw vindt dat ik daar soms in overdrijf en ze heeft gelijk.
5. Bij ingrijpende veranderingen denk je meer na over je leven, je job en hoe het anders kan. Wordt vervolgd.

Morgen begint een tweede thuiswerkweek. Mijn gedachten gaan uit naar de slachtoffers en hun naasten, en de zorgwerkers die elke dag levens redden. Wil je zelf een bijdrage leveren? Op het platform http://www.hulpvoorhelden.be kan je je opgeven om te koken, te wassen, om mondmaskers te maken, te bellen met eenzame hoogbejaarden enz. Mijn vrouw, die ook thuiswerkt, heeft zich ingeschreven en ik zal haar helpen waar nodig. Ik heb wel één veto gesteld: geen kinderopvang.

Ambitie

Ambitie is een woord dat vooral positieve gevoelens opwekt. Het is een begrip dat staat voor doorzettingsvermogen, doelgerichtheid en de wil om ‘het te maken’ in het leven. We noemen het in één adem met succes. Op Van Dale Online wordt ambitie omschreven als ‘streven; = eerzucht: ambitie tonen.’ Iemand die ambitieus is, moet of wil dat volgens de omschrijving laten zien. Want hij of zij verlangt sterk naar eer en erkenning voor de inspanningen. Je wil bevestigd zien dat je goed bezig bent. De meest voor de hand liggende beelden die dan onze gedachten kruisen zijn dure wagens, een groot huis (liefst met een zwembad tegenwoordig), een atletisch lichaam, beroemdheden en de primus van de klas. Als mensen ‘het gemaakt’ hebben, denken we vooral aan mensen met geld. Hoe rijker, hoe ambitieuzer.

Ambitie gaat volgens mij veel ruimer dan dat. Ik zou ‘het streven’ uit de definitie van Van Dale als basis nemen en ‘de eerzucht’ eerder als bijkomstig beschouwen. Als iets dat voor de een belangrijker is dan voor de ander. Veel mensen zijn verborgen ambitieus. Ze zoeken naar manieren om hun ecologische voetafdruk te verkleinen, ze strijden dagelijks voor meer rechtvaardigheid of ze slagen erin om hun job, hobby en gezinsleven te combineren. Ze voelen niet allemaal de behoefte om dit (al dan niet virtueel) met iedereen te delen uit eerzucht. Wat we bovendien durven vergeten, is dat ambitie ook een kwestie van prioriteiten stellen is. Ik vind de workaholic die werkt van acht uur ’s ochtends tot acht uur ’s avonds niet ambitieuzer dan de moeder of vader die tussen dezelfde uren voor de kinderen zorgt, werkt, kookt en het huishouden doet. Ik zie ambitie niet als een carrièrewoord, maar als de zoektocht naar een leven zoals je zelf vindt dat het hoort. Wat het ook voor jou betekent, ambitie die niet wordt gedreven door eerzucht lijkt me hoe dan ook een gezond streven.

Stuurloos

We zijn minder beschaafd in de rol van chauffeur. Alsof er een chemische reactie in onze hersenen plaatsvindt van zodra we de motor starten. Ik spreek uit ondervinding, als bestuurder onder de bestuurders. De ene chauffeur is sneller geprikkeld dan de andere, maar het is duidelijk dat we ons vaak overdreven expressief uitdrukken wanneer een verkeerssituatie ons niet zint. Ik geef enkele redenen.

Je moet je punt maken met gebaren. Dat maakt het moeilijk om nuances te leggen. Populaire uitspattingen zijn: met opengesperde ogen (en soms ook mond) de wijsvinger tegen het voorhoofd tikken, neen knikkend je gezicht in je handen graven (wat mij gevaarlijk lijkt op de openbare weg) en de middelvinger, al dan niet met bijbehorende verwensingen die je door hun eenvoud en gangbaar gebruik makkelijk kan liplezen.

Autorijden is een overlevingstocht, vooral tijdens de spitsuren. We staan op scherp als we door de straten van een betonnen jungle laveren. Fouten maken kan dan ook zware gevolgen hebben. Maar je zit ook beschermd. Je kan je wagen vergrendelen en niemand weet wie je bent. Het enige dat tegen je gebruikt kan worden, is je nummerplaat. Dat heeft tot gevolg dat sommigen onder ons zich ongenaakbaar voelen achter hun stuur. En als de situatie écht uit de hand dreigt te lopen, kan je nog altijd wegstuiven gelijk een cowboy te paard.

En hoe is het met míjn rijgedrag gesteld? Meestal goed. Ik ben een gezapige chauffeur die voldoende afstand houdt en de snelheidslimieten respecteert. Ik maak me vooral druk wanneer andere chauffeurs in mijn gat plakken en zich kwaad maken omdat het voor hen niet snel genoeg gaat. Ik zal mijn ongenoegen alleen uiten als de tegenpartij begonnen is. Dan reageer ik soms voor ik heb nagedacht. Meestal met een blik die je in woorden het best kan omschrijven als wadistjong!

Een keer ging ik een stapje verder. Ik had onze auto op een parkeerplaats voor personen met een handicap gezet. Het was maar voor enkele minuutjes. Omdat we geen andere parkeerplaats vonden en we veel moesten uitladen, waaronder onze baby-dochter die toen enkele dagen in het ziekenhuis had gelegen. Toen ik mij net had geparkeerd, kwam een auto aangereden met een bejaard koppel in. De chauffeur zag rood van woede en ongeloof. En maar gesticuleren. Met een Maxi-Cosi, verzorgings- en boodschappentassen in onze handen gebaarden mijn vrouw en ik dat het maar voor even was. En dat ik meteen weer weg zou rijden. Er was trouwens nog een plekje voor personen met een handicap vrij. Maar dit was duidelijk een principekwestie. De oude man stond op ontploffen. Ik kreeg het op mijn heupen, zette de boodschappen neer en stapte stoerder dan ooit (denk aan slowmotionbeelden van een actieheld die naar de camera toe komt gewandeld om de wereld te redden) naar de fulminerende man. Ik moet indruk hebben gemaakt, want hij zat er plots als versteend bij, schoof zijn autoraampje toe en reed achteruit van me weg. Mijn vrouw lag in een deuk. Zo kent ze mij niet. Zelden was ik zo lachwekkend in haar ogen. Het zoveelste bewijs dat agressieve uitlatingen niet in mijn natuur liggen. Maar in de ogen van één koppel zal ik voor altijd crapuul zijn.

De wachtkamer

In de wachtkamer wacht ik op een diagnose die ik al ken. Posters stellen mij vragen die de hypochonder in mij wakker maken. Benauwd? Kortademig? Vermoeid? Tetanus oké? Op een van de affiches staat een man met post-its geplakt op z’n blote lijf. Hij lijkt zichzelf te moeten herinneren aan zijn bestaan. Op elk kleefbriefje staat een medische reminder geschreven. De man hangt hier van zolang ik hier kom. Hoe zou het nu, minstens vijftien jaar later, met hem zijn? Misschien is hij ondertussen dood en dacht hij in zijn laatste momenten terug aan zijn sensibiliserende rol in wachtzalen van dokters.

Ik word uit mijn gedachten gekucht door een dame met looprekje en een grauwe huid. Hoe hard ze ook probeert, haar slijmen blijven plakken. Ik weet niet of ze ooit nog zullen verdwijnen. In de wachtkamer wacht je op beterschap en voor sommigen is dat nu eenmaal de dood. Naast de dame zit een vrouw van ongeveer dezelfde leeftijd. Ze lijken bevriend en bladeren samen door een Dag Allemaal. Ze roddelen over soapacteurs alsof het over hun eigen familie gaat.

Aan mijn andere zijde wordt een bonkige vent in werkkledij opgebeld. Zijn beltoon verandert de wachtzaal in een voetbaltempel. De man klaagt over zijn rug, profiteurs, de teloorgang van de buxushaag en over iemand die zijn plan maar moet leren trekken. Hij klinkt kortademig en ik vraag me af hoe lang het geleden is dat hij een vaccinatie tegen tetanus heeft gekregen. Op het moment dat de man oplegt, zwaait de deur van de praktijk open. “Mijnheer Samson”, zegt mijn huisarts. Van zodra hij de deur achter me dichttrekt, spreekt hij me met mijn voornaam aan. Het ruikt hier naar sigaretten. Ik zeg hem dat ik griep heb. Hij onderzoekt me en bevestigt mijn diagnose. De dokter schrijft me rust en medicatie voor en we schudden elkaar de hand.

Op weg naar buiten zie ik dat de bejaarde vriendinnen de Dag Allemaal hebben ingeruild voor een Story. De slijmen van de grauwe dame blijven zoals verwacht koppig liggen. Het contrast is groot met de magnolia op straat, die in de fleur van zijn leven staat. Insecten komen weer op krachten en vogels fluiten als bouwvakkers voor de schoonheid die zich knopje per knopje ontvouwt voor hun kwieke oogjes. Het is lente in de zomer van mijn leven. Geef me rust en medicatie en binnen enkele dagen sta ik ook weer in bloei.

Mijn muzikale top 5 van 2018

IMG_5768

Elk jaar tussen Kerst en Nieuwjaar maak ik een muzikale balans op. Aangezien ik dit jaar weinig plaatjes heb gekocht die in 2018 zijn uitgekomen, is het een top vijf in plaats van een top tien geworden. Ik neem je graag mee voor (alweer) een donkere trip die zowel melancholisch als troostend klinkt.

  1. Damien Jurado met The Horizon Just Laughed.

Wat een albumtitel. Ik zou ‘m zo willen stelen voor een gedicht. Op zijn laatste worp gaat de singer-songwriter uit Seattle voor pure eenvoud. We krijgen uitgeklede, akoestische pareltjes die zich als een warm dekentje rond je ziel wikkelen. Dit is een plaat waarmee ik gerust een tijdje wil ondergesneeuwd raken in een hutje in de bergen. (met een goedgevulde voorraadkast, tenminste)

https://www.youtube.com/watch?v=Zll5Gyp20I0

  1. Nils Frahm met All Melody

Ik schrijf graag in het gezelschap van Nils. Zijn minimalistische pianomuziek houdt me gefocust en inspireert me. In mijn hoofd worden zijn tonen omgezet in woorden. Op All Melody kiest de Duitser voor een experimenteler geluid dan op zijn vorige albums, met meerdere instrumenten en elektronica die de piano ondersteunen. De emotie blijft echter even intens. Deze plaat is warm, rijk en vakkundig ontdaan van overbodige franjes. Schrijven is schrappen. Bedankt om dat regelmatig in mijn oor te fluisteren, Nils.

https://www.youtube.com/watch?v=J44C184Dd7c

  1. Ben Howard met Noonday Dream

Surferboy Ben is misschien wel de bekendste muzikant uit dit lijstje. Hij heeft dit jaar zijn derde langspeler gemaakt en ze is veel donkerder dan zijn populaire debuut. Geen hitmateriaal zoals Keep You Head Up dus, maar complexere uitgesponnen songs met soundscapes en gitaren die zowel grillig, zalvend als dromerig durven zijn. Ben is een van die zeldzame muzikanten die me na ontelbare luisterbeurten nog steeds kippenvel kan bezorgen. Surfen op de golf van succes interesseert hem niet. En zo heb ik mijn artiesten het liefst.

https://www.youtube.com/watch?v=NzcV8HXE_EI

  1. Nothing met Dance On The Blacktop

Telkens deze Shoegaze-helden een album uitbrengen, eindigen ze in de top drie van mijn eindejaarslijstje. Er gaat veel nihilisme uit van hun repertoire. Voeg daar nog een scheut grunge aan toe en je hoort een dromerige versie van Nirvana. Dat is op dit derde album niet anders. We horen zweverige zang, veel reverb en een gitaarmuur die zelfs Trump de wenkbrauwen doet fronsen. Dit is muziek die een eigen definitie aan schoonheid geeft. Een soort van schoonheid die zich pas onthult als je de zwarte sluier voorzichtig optilt.

https://www.youtube.com/watch?v=RJhkZo5OCHE

  1. Emma Ruth Rundle met On Dark Horses

Toegegeven, ik luisterde vroeger zelden naar frontvrouwen. De Breeders en Courtney Love ten tijde van Hole waren uitzonderingen. Die kronkel heb ik gelukkig de deur gewezen. Elena Tonra van Daughter, Agnes Obel, Chelsea Wolfe … en nu ook Emma Ruth Rundle maken muziek die mij ontroert en vervoert, maar ook een sjot onder mijn gat geeft. Emma heeft een plaat gemaakt die van begin tot eind aan de ribben blijft plakken. Een rauwe plaat in vele opzichten; door de emoties, de vocale uithalen en de zware, slepende gitaren. Maar het album laat je ook op adem komen, wanneer doom ruimte maakt voor postrock. Alsof je in het oog van de storm zit. Het onheil is nooit ver weg. Dat maakt On Dark Horses niet alleen de beste, maar ook de spannendste plaat van 2018.

https://www.youtube.com/watch?v=obvHacBj6Sc

Complimenten aan mezelf

 

Schermafbeelding 2018-12-16 om 21.08.34

“Een compliment geeft vleugels. Laat het geen eendagsvlieg zijn.”
Deze quote schreef ik eerder dit jaar naar aanleiding van wereldcomplimentendag.

Ik geloof in de kracht van complimenten. Ik geef en krijg ze graag. Ik wuif ze ook vaak weg. Want wat je goed doet in de ogen van anderen, vind je zelf vaak vanzelfsprekend. Toch geef ik complimenten een plaats in de vitrine van mijn geheugen. Als het vertrouwen mij in de steek laat, kijk ik ernaar. En dan zie ik mezelf groeien in haar reflectie. Naar aanleiding van de mooie blogpost van Kathleen heb ik de vitrine afgestoft. Ik geef jullie enkele complimenten mee die me al jaren plezieren. Hoe klein ze ook zijn. Here we go.

Come on, fist!” Tennismakkers noemden mij The Fist tijdens mijn tienerjaren. Ik gaf nooit op en maakte een vuist als ik mezelf wou oppeppen na een felbevochten punt. Die bijnaam heeft het beste in mij naar boven gemept.

Touché D’Anvers.” Tennisleraar vond dat ik een uitstekend balgevoel had.

In het zesde middelbaar kregen we van de leraar Nederlands de opdracht om het klaslokaal te beschrijven. Ik had toen niet veel met literatuur. Laat staan dat ik uit vrije wil schreef. Mijnheer Goossens las na de opdracht een passage uit mijn tekst voor. In mijn herinnering is het ook de enige tekst die hij heeft gebracht, maar ik kan mij vergissen. Ik vind het jammer dat ik die tekst niet bewaard heb. Het was iets met een ‘eeuwig traag tikkende klok’ en ‘stoffige boeken’.

De complimenten van de jury voor de vlotte schrijfstijl van mijn thesis. (ook al staan er veel schrijffouten in, dat merkte ik enkele jaren later).

De ex-collega’s van mijn eerste job die altijd uitkeken naar mijn ‘geanimeerd’ verslag van de vergadering.

Vrienden en kennissen die uit het niets zeggen dat ze mijn teksten graag lezen. En de erkenning van andere schrijvers, dichters, bloggers en kunstenaars. Jaja, het streelt mijn ego.

Vrienden die in de loop der jaren hebben gezegd dat ze trots op me zijn, of blij zijn dat ze mij kennen. En vrienden die het appreciëren dat ik zo kan genieten van kleine dagen.

Mijn moeder die zegt dat ik goed kan relativeren.

Mijn echtgenote die zegt dat ze bij mij tot rust komt.

Het enthousiasme van mijn kinderen als ik thuiskom.
Want complimenten worden niet altijd uitgesproken.

Nadenken over de lofredes die me zijn bijgebleven lucht op. Ik kan iedereen aanraden de oefening eens te maken. Want iedere persoon heeft een mooie vitrine op zijn of haar manier. Jullie geven die van mij alleszins extra glans. Merci.