Klateraartje

In een andere kamer hoor ik je
woorden klateren als douchewater.
Ik weet niet wat je vertelt.
Daarvoor is je uitbundigheid te groot
voor de deurspleet tussen ons.

De zon breekt door de ochtend en het raam.
Ze wijst naar je handjes die kleven
aan de glazen douchewand.
De badkamer vult zicht met stoom
en een warmte die alleen een vader kan ervaren.
Ik zet de kraan af zodat je sporen niet vervagen.

Ik zie hoe de nacht
van mijn lijf naar de douchegoot loopt
maar jij mag nog jaren blijven klateren
lieve vierjarige.

Voor mijn dochter, Suzanne.

Advertenties

Luciferbenen

In het najaar werpt de zon weer langere schaduwen uit. Ik kijk ernaar en zie een uitgelopen versie van de realiteit. Glazen worden vazen, tuinhuisjes worden vuurtorens, zanglijsters worden roofvogels en kinderen worden reuzen, met vingers die de horizon willen strelen. Ze krijgen eindeloze luciferbenen die de breekbaarheid van hun jonge jaren insinueren. Ik kijk ook naar mijn eigen uitgerekte schaduw. Het is een schim van mezelf die geen emoties prijsgeeft. Het is een donkere vlek waarin ik soms in mezelf wil keren. Het is een vertrouwd silhouet dat ik uit dit moment wil knippen om te bewaren voor de rest van mijn leven.

Waarom ik niet zo van patsers hou

Afgelopen zomer was ik op een feestje waar ik weinig volk kende. Als introvert is dat altijd een beproeving. Ik praat namelijk niet graag over koetjes en kalfjes. Het is een mix van onkunde en onwil, om eerlijk te zijn. Daarom heb ik in de loop der jaren een strategie ontwikkeld die eruit bestaat vragen te stellen. Dat kost mij weinig moeite omdat ik in het algemeen geïnteresseerd ben in mensen. Als ik vragen stel, is het dus niet om de stilte te doorbreken. Ik heb geen probleem met woordeloze momenten, maar mijn gesprekspartners dikwijls wel. Die beginnen dan over koetjes en kalfjes.

Zo begon ik op dat feestje een gesprek met een oudere man omdat we plots en heel toevallig naast elkaar stonden. Hij was heel extravert, dat zag ik al toen hij op het feestje toekwam, en daar is zeker niets mis mee. De man begroette de mensen met flair, deelde plaagstootjes uit en hij kon heel goed lachen met zijn eigen moppen. Aan die man vroeg ik waar hij zich professioneel met bezighoudt. Wat volgde was een verheerlijking van zijn eigen persoon, waarin ik meer info kreeg dan vroeg. Zo’n kwartier ging het over het bedrijf dat hij van de ondergang heeft gered, de moeilijke keuzes waar hij als CEO voor stond, de creativiteit die hij in zijn functie aan de dag moest leggen en blablablabla. Jaja, ik had te maken met een patser.

Je hebt patsers in alle maten en gewichten. Daarmee vertel ik niks nieuws. Maar er zijn een aantal zaken dat mij opvallen. Ten eerste: patsers zijn vaak zo hard met zichzelf bezig dat ze geen interesse tonen. Tenzij ze denken dat ze je kunnen overtroeven: een bedrijfswagen, het aantal jogkilometers, verantwoordelijkheden, connecties … Maakt niet uit wat, elk gesprek lijkt op een strijdveld voor de patser. Ten tweede: patsers hebben vaak een gebrek aan zelfrelativering. Je mag best trots zijn op jezelf, maar de zon straalt niet uit je hol. De geldingsdrang die daarmee gepaard gaat, vind ik ronduit vermoeiend. Ten derde: heel wat patsers kunnen het niet laten om meningen te spuien. Hoe harder en cassanter, hoe liever. Kijk maar eens naar de modder waarmee populistische politici op sociale media smijten. Ze vuren vaak een mening af zonder grondige kennis van zaken. Maakt hen allemaal niets uit. Ze willen gewoon likes, shares, clicks en een likkebaardende achterban.

De patser staat in schril contrast met mezelf. Ik blaas nooit hoog van mijn toren, omdat ik dat snel ervaar als aanstellerij. En ik vorm traag een mening. Hoe beter geïnformeerd ik ben, hoe makkelijker ik die opinie zal verkondigen. Maar ik benijd de gevatheid van sommige opscheppers. Om maar te zeggen dat het vaak je tegenpolen zijn die je beperkingen blootleggen. Ook dat verklaart waarschijnlijk waarom die patsers vaak in mijn allergiezone zitten. Dit gezegd zijnde, ik vind ze wél interessante fictieve personages. Misschien moet ik eens een verhaal schrijven over koetjes en kalfjes met een haantje in de hoofdrol. Een fabel dus, ja, dat lijkt me wel wat.

De onfortuinlijke tjiftjaf

Dit is een tjiftjaf (merci Google).

Ik dacht even dat het liedje van deze zangvogel was uitgezongen nadat hij tegen ons raam knalde. Hij landde bij de buren waar hij na enkele stuiptrekkingen als voor dood lag. Maar zijn buikje bewoog nog. We namen een doos en legden er wat keukenpapier in, klaar om naar het vogelopvangcentrum te gaan. Even later zat hij al recht. Als een coureur die verdwaasd naast zijn fiets staat na een valpartij. De buurvrouw pakte de tjiftjaf op en zette hem in de mand die je op de foto ziet. We zetten er water en vogelzaad bij. Het vogeltje sprong op de rand. Hij begon zijn hoofdje te bewegen. Eerst behoedzaam, dan alert. Hij kwam er door. Een half uurtje na de smak vloog hij weer weg, om dan meteen tegen het raam van de buren te knallen. Er zijn drie opties: 1. We hebben te maken met een suïcidale tjiftjaf. 2. Hij had ze nog niet alle vijf op een rij na raam één. 3. Deze tjiftjaf is de slimste niet. Hoe dan ook, we hebben hem in een afgesloten schoendoos gezet (merci Google) om hem te beschermen tegen zichzelf. Na een uurtje hebben we de doos opengedaan aan de vijver achter onze tuin. Hij had gegeten van de vogelzaadjes. De tjiftjaf zag er uitgerust en kwiek uit. Ik nam nog een foto en hij vloog als een pijl de bomen in. Het ga je goed, mijn gevederde vriend.

Tjiftjaf zag er toen nog wat nukkig uit.

Luister eens naar deze oude knar

Herfstbladeren vallen niet, ze wiegen de zomer in slaap. Als ge zo oud zijt als ik kijkt ge nu eenmaal anders naar het leven. Ik heb dan ook tijd om over die dingen na te denken. Ik ga nergens naartoe, alleen mijn gedachten hebben de luxe af te dwalen. Ze komen en gaan zoals de reigers. Ge moet weten dat het hier serieus veranderd is sinds Jan en alleman het domein mag betreden. Het was ineens gedaan met de rust. En oké, kabaal en geschreeuw vervliegt. Ge geraakt er met de tijd aan gewend. Maar waarom vinden jullie, mensen, het nodig om hartjes en namen in mijn huid te kerven? Dat ge dat op een muur doet kan ik nog begrijpen. Een muur leeft niet. Maar op een boom! Los van het feit dat het pijn doet, is het ook levensgevaarlijk. En ge moet daar niet mee lachen. Als gij in mij snijdt en de verkeerde bacterie nestelt zich in de sleuf, dan wordt die snede een gaatje. Dat gat wordt groter en voor ge het weet … Enfin, ge zult het niet weten want tegen dan ligt gij al lang onder de grond. Zelfs uw kleinkinderen zullen het nooit weten. Maar voor ge het weet ben ik dus helemaal uitgehold vanbinnen. Dan is het wachten op een rukwind die mij uit mijn lijden zal verlossen.

Gij snijdt toch ook geen levende dieren? Mocht ge mij meer als dier beschouwen, ge zoudt tenminste moeite doen om rekening te houden met mijn gevoelens. Niet dat ge boomknuffelaar moet worden, laat dat duidelijk zijn, maar wij bomen doen meer dan bladeren van ons afschudden en nieuwe scheuten krijgen. Wist ge bijvoorbeeld dat wij kunnen communiceren met insecten? Als ik last heb van een ambetante parasiet, laat ik van mij ruiken. Dan trek ik insecten aan die dol zijn op die parasiet. En als de wind mijn geur meevoert, worden mijn familieleden verwittigd van het naderende onheil. En dan zwijg ik nog over onze wortels die ingenieus met elkaar verbonden zijn. Wij zorgen voor en spreken met elkaar, beste mens. Gij kunt dat alleen niet horen.

En als ik even mag terugkomen op de vergelijking met dieren: het onderscheid tussen fauna en flora is ook maar uitgevonden door een mens hé. Het is máár een categorisering. Uiteindelijk leven we allemaal. Ook wij eten, drinken, communiceren, planten ons voort – wat ik trouwens geheel terzijde etymologisch een mooie uitdrukking vind – en passen ons aan de seizoenen aan. Maar omdat wij bijvoorbeeld op een andere manier eten en drinken, zijn we voor u geen dieren. Gij kunt ook onze emoties niet lezen. We staan erbij zoals een lantaarnpaal, is het niet? We lijken onverschillig neer te kijken op ons lot. Misschien is dat wel de reden waarom gij niet naar ons omkijkt.

Soit, ik ben er nog. En ik zal hier nog wel een tijdje blijven staan, in het Rivierenhof. En al die tijd heb ik een prachtig zicht op Onze-Lieve-Vrouwkathedraal. Ik wuif geregeld naar haar. En als de wind goed staat, hoor ik haar stem die na al die jaren nog even helder klinkt. Toch iets waar jullie mensen goed in zijn.