Terugblik op het Eurovisiesongfestival

Zaterdag, op de tiende verjaardag van mijn zoon na een uitgeregend dagje Bobbejaanland, keken we voor het eerst in pakweg twintig jaar naar het Eurovisiesongfestival. Na al dat gefoeter op rollercoasters – “papa, je mag geen ‘fuck’ zeggen” – hadden we daar zin in. De winnaars, glamrockers met een voorraadje cocaïne verstopt in een Italiaanse laars van de zanger, brachten een catchy rocksong waar ik echo’s in hoorde van Led Zeppelin, The Black Crowes en Royal Blood. Mijn zoon gaf het lied een tien op tien. Hij ontpopte zich als kenner tijdens zijn debuut als jurylid.

Ik kon me verzoenen met de einduitslag, maar ik voelde toch meer voor de frêle Française Barbara Pravi. Met haar vocale uithalen zorgde ze als enige kandidaat voor schokjes in mijn lijf. Ook de Zwitserse zanger kon mij bij vlagen ontroeren. Alleen jammer dat hij per se hoger wilde zingen dan de Matterhorn waardoor de bombast de kwetsbaarheid soms overstemde. Ik zag ook grappige optredens, van IJsland en Litouwen. Humor werkt nóg beter in pandemietijden, wanneer het lachen ons een beetje is vergaan.

Dat Hooverphonic niet zou winnen was voor de jury in de Groenstraat te Boechout al snel een uitgemaakte zaak. De song is oké, maar ik miste uitbundigheid of humor. Ook al vond ik de French crop van Alex Callier een verdienstelijke poging om op de lachspieren te werken. We leven al meer dan een jaar met de handrem op en iedereen is het zat. We willen uitspattingen en exuberantie. Misschien zelfs een beetje waanzin. Niet noodzakelijk in daden, maar toch minstens wanneer we kijken naar een show als het Eurovisiesongfestival. De Italianen hadden dat goed begrepen. En nee, ze hadden daar geen lijntje coke voor nodig trouwens. De zanger zat voorovergebogen omdat er een glas gevallen was. Scherven brengen geluk.