Roze als beenham

Het verkeerslicht springt op groen maar ik blijf staan voor jou met je rode trui. Tussen ons een winkelraam, bloemen die staan te sterven in boeketten,
mensen die zichzelf gebogen voorbijlopen aan de snelheid van hun Facebookstream, en dit moment waarop jij aan een lelie ruikt en ik moed opsnuif.
Ik staar je aan en denk: komaan, kijk naar mij. Alleen in je ogen kan ik zien wat ik aan de kant moet zetten: mijn fiets of mijn fantasie.
Je blaast een haarlok uit je gezicht die terug op het puntje van je neus landt.
Ik vraag me af of je ooit mijn zenuwtrekjes zal kennen.
Komaan, zie mij staan. Kijk verder dan je bezige handen. Ze vertellen je niets nieuws meer. Met je blik naar beneden gericht oog je breekbaar als een paardenbloem in een hondenwei, en toch is er die gezonde blos.
Mocht mijn moeder hier staan, ook al zou ze nooit een groen licht negeren,
ze zou zeggen: “Die vrouw heeft de wangen van een slagersdochter.”
Maar ik weet beter. Je hebt geen wangen roze als beenham.
Het zijn wangen zo rood als de tulpen in je handen.

Advertenties

In de duinen van Zeeland

Hij staat beneden aan de trap als hij haar de kraan van de douche hoort opendraaien. Hij doet beheerst zijn schoenen uit en neemt enkele treden. Het geluid van stromend water heeft altijd een bezwerend effect op hem gehad. Hij beeldt zich in hoe ze haar hoofd naar achter kantelt om de stress van de werkweek uit haar krullen te wassen. In zijn gedachten ziet hij een spoor van schuimende shampoo traag langs haar hals naar beneden glijden, tussen haar borsten, tot voorbij haar navel. Hij stelt zich voor hoe ze haar rug strekt terwijl de damp van het hete water haar in een gelukzalige trance brengt. Hij glimlacht bij de gedachte dat het voorspel niet eens begonnen is.

In de traphal ruikt het ondertussen naar roosjes. Hij herkent de geur van vroeger, toen ze samen op kot zaten. Hij kende de uren waarop ze ging douchen in de gemeenschappelijke badkamer eerder dan haar naam. Hij pikte haar zalmroze slipje terwijl ze zich waste voor hij haar voor het eerst gesproken had. Het sexy niemendalletje lag maanden onder zijn matras, slechts enkele meters van haar vandaan toen ze notities kwam lenen. Het zijn herinneringen die hij koestert.

Hij is bijna boven. De trap kraakt onder zijn winterkousen. De opwinding en de whisky doen zijn hoofd tollen. Hij heeft geduld moeten uitoefenen, maar de beloning wacht hem op aan de andere kant van de deur. Juist voor hij haar wil verrassen, kijkt hij naar een fotokader die scheef aan de muur hangt. Ze ziet er gelukkig uit met haar labrador in de duinen van Zeeland. Het is de hond die beneden vredig ligt te slapen. Het zal nog even duren voor het dier wakker wordt, daar heeft hij voor gezorgd. Hij hangt het kader recht met zijn bruinleren handschoenen aan en neemt dan voorzichtig de deurklink vast. Hij hoort haar zachtjes neuriën terwijl het water onverstoorbaar op haar lichaam klettert. In zijn broekzak zit het slipje dat zeal 16 jaar mist. Het slipje waarmee ze straks wakker zal worden.

 

 

Schermafbeelding 2018-02-07 om 21.49.44Schermafbeelding 2018-03-29 om 22.36.48

Binnen de lijnen

 

Het is matchbal. Voor het eerst in mijn leven zal ik een officiële wedstrijd verliezen van Dikken Daan. Papa had zich mijn eerste ronde in de club waarvan hij voorzitter is waarschijnlijk anders voorgesteld. Hij stond te supporteren, maar zijn aanmoedigingen klonken eerder als ergernis. Het is zonder twijfel een voorbode op de verwijten die straks als tennisballen uit een ballenmachine op me worden afgevuurd. Maar wat nog erger is: sinds vandaag hangt het reclamedoek van zijn immobiliënkantoor aan de omheining waar ik nu op sta te kijken. Naast zijn zonnebankbruine hoofd staat de slogan: Ready to serve you. Wat was hij fier toen hij met die kleffe lijn naar huis kwam.

Daan gooit de bal in de lucht en … hij slaat een ace. Game, set en match.

Als ik na de wedstrijd met papa naar het clubhuis wandel, valt de stilte tussen ons me zwaarder dan de nederlaag. Vader lacht zijn gebleachte tanden bloot als we mensen van de club kruisen, maar ik voel de frustratie achter zijn façade. Net voor we de trap naar de cafetaria nemen, draait hij zich naar me toe. Er is niemand in de buurt en dat zal ik geweten hebben.

“Denkt gij dat ik mij een off-day kan permitteren? Als ik een slechte dag zou hebben, dan komt er minder geld binnen. Geld waarmee ik uw trainingen, uw iPhone, uw kleren en weet-ik-wat-nog-allemaal betaal. Maar ik heb geen slechte dagen. Ik sta er altijd. Zeker wanneer het moet. Soit, we babbelen straks verder over de match. Ik moet rond 14u naar de Nachtegalenlaan want de burgemeester zijn dochter heeft interesse in een appartement. Daarna kom ik naar huis. Oké? Hier is 10 euro. Vergeet uw tegenstander geen drankje te trakteren. Anders denken zijn ouders nog dat wij gierig zijn en niet goed tegen ons verlies kunnen. En denk ondertussen maar eens na over wat er is misgelopen.”

Na de donderpreek kamt hij zijn zwartgeverfde haren naar achter met zijn wit zakkammetje. Dat doet hij altijd als hij een goede indruk wil maken. Weet hij veel dat ze hem op de club de Berlusconi van Brasschaat noemen.

Het is 13u30 en ik fiets naar de platenwinkel. De traktatie is er uiteindelijk niet van gekomen. Ik heb de 10 euro besteed aan een bord spaghetti. Ik was op de club ook nog mijn tennistrainer tegen het lijf gelopen. Tijdens mijn match heb ik hem niet gezien. Hij vond het blijkbaar belangrijker om champagne te drinken met Carina, de moeder van mijn dubbelpartner en ook wel een beetje vergane glorie. Toch heeft ze volgens mijn vader al meerdere tennisbroekjes op de enkels gekregen in het bos achter de terreinen. Ik kan maar hopen dat hijzelf niet mee het onderwerp is van zijn roddel.

Aan het rood licht hoor ik getoeter. Als je van de duivel spreekt, zie je hem zitten in zijn wit monster op veel te dikke banden. Het raampje aan de passagierszetel schuift naar beneden. Papa roept: “Thibault!”

Ik vraag wat er scheelt.

“Ik heb niet graag dat ge met uw koptelefoon fietst. Dat is levensgevaarlijk. Ge moet het verkeer kunnen horen!”

Op dat moment slaan mijn stoppen door:

“En gij rijdt altijd in de mensen hun gat. Alsof dat veel veiliger is!”

Ik zet mijn headphones terug op en sla zonder nadenken een zijstraat in. Ik zet de volumeknop nog een streepje luider en trap me de ziel uit het lijf. Alsof ik zo de vernederingen beter van me af kan schudden. Even verder zie ik een immobord hangen waarop mijn vaders stomme kop staat te blinken. Ik neem fietsend een racket uit mijn tenniszak en fixeer mijn ogen op die van mijn kartonnen vader. Ik mep het bord aan diggelen en van de weerslag vliegt het racket uit mijn trillende handen. Tranen rollen over mijn wangen. Opnieuw, maar wel voor de eerste keer buiten mijn slaapkamer. Ik laat het vernielde racket liggen waar het is terechtgekomen en fiets doelloos de velden in.

Ik moet terugdenken aan mijn eerste tennisracket. Mama wou eigenlijk een racketje van de speelgoedwinkel kopen voor het geval ik er na enkele lessen de brui aan zou geven. Vader zag dat niet zitten want dat kwam toch zo goedkoop over. Het werd dus een racket van het merk Babolat. Ik ben het merk al tien jaar trouw, maar nu heb ik toch het gevoel dat ik de grip op mijn rackets én de sport kwijt ben.

Als ik de kerktoren van ons dorp nader, spot ik een vogelverschrikker. Ik krijg een geniaal idee. Alsof de koeien, de vogels, de wind, zeg maar het hele fucking universum, het mij in koor hebben ingefluisterd. Ik smijt mijn fiets aan de kant, neem mijn tenniszak en loop naar de strooien pop in het veld. Mijn woede maakt plaats voor pure opwinding. Ik neem mijn vuile kleren uit de tas en begin de pop aan te kleden. Ik steek er al mijn tennisrackets in. Hoe meer ik van mezelf geef aan de vogelverschrikker, hoe vrijer ik me voel. Ik loop terug naar m’n fiets en slinger mijn tennistas de gracht in. Tijd om naar de Nachtegalenlaan te fietsen en mijn vader te laten kennismaken met de nieuwe Thibault. Het kan me niet schelen dat hij daar met de dochter van de burgemeester staat. Vandaag heb ik een belangrijke match gewonnen.

Nutcase

De schaamte. Ik voel ze vooral hier, in de supermarkt. Mensen mijden oogcontact sinds ik de ronde doe als een virale infectie. Ze kijken me aan wanneer ik mijn boodschappenlijstje doorstreep of het etiket van een fles wijn lees. Hun geniepige blikken branden door mijn winterjas. Het is zelfs zo erg geworden dat ik mijn vlees niet meer laat afsnijden bij de slager. Voortaan koop ik alles voorverpakt. Wat maakt het ook uit. Alles heeft een wrange bijsmaak tegenwoordig.

 Ze zeggen dat mijn masker is afgevallen. Ze menen te weten wie ik nu écht ben. Maar wie was ik daarvoor dan? Iemand die de schijn ophield? Dat zeggen ze ook. En oké, ik was de controle verloren en de gevolgen zijn drastisch. Het is een jammerlijk feit uit een leven dat al 41 jaar braaf bestaat. Maar ben ik door het voorval veranderd? Ik geef de planten evenveel water als vroeger. Ik slaap nog altijd op mijn buik en ik kijk met evenveel spijt terug op bepaalde keuzes in mijn leven.

Maar goed. Het is dus gebeurd en veel mensen hebben het gezien. Ik ben nu officieel de nutcase van het dorp. De overdaad aan wijn en goedkope pralines in mijn winkelkar zullen die perceptie alleen maar voeden. Aan de kassa komen daar nog roddelboekjes bij. Mocht ik niet beter weten, ik zou denken dat het bewijs van mijn teloorgang naar de kassière schuift. Ik betaal de rekening en krijg er gratis een afkeurende blik van de winkelbediende bij. Wat een conservatief hol is dit toch.

En als ik eerlijk mag zijn: vóór de schaamte was ik trotst op mezelf. Fier op mijn daadkracht en uitstekend gevoel voor timing. Als een slechtvalk die in vrije val zijn prooi vangt. 12 jaar geleden, toen ik hem voor het eerst zag, had ik het lef nog niet. Hij kwam toen spreken over zijn investeringsplannen in de regio. Ik walgde van zijn dominante houding en vrouwonvriendelijk gezwets, maar als kersvers communicatiemedewerker van de gemeente deed ik wat van mij werd verwacht. Ik bedankte hem na zijn speech voor zijn kostbare tijd met een uitstekende fles Bordeaux. Hij nam de fles aan, gaf me een zoen en fluisterde onder luid applaus in mijn oor: “Heb je plannen vanavond, Barbie?” Ik was te geschokt om te reageren. Hij genoot van zijn macht.

Dat was ons laatste contact tot vorige maand, toen hij terug naar ons dorp kwam. Hij was hier niet om te spreken over de investeringen die uiteindelijk nooit zijn doorgegaan, maar om verkozen te worden. Ik overhandigde hem opnieuw een fles Bordeaux. Deze keer met een extraatje erbij. Om het in de woorden van de wereldpers te zeggen:

“Lady grabs Trump by the nuts after speech.”

 

Uit zo’n 500 inzendingen haalde ‘Nutcase’ de longlist (17 finalisten) van de schrijfwedstrijd ‘Barbiepop’. De wedstrijd was een initiatief van Schrijven Online en de Nederlandse Schrijversacademie.

De vallei

 

Voor mijn petekind, Lisa-Bella.

 

Het was een zachte zomeravond toen Eekhoorn en Konijn samen op een afgebroken dennentak zaten. Ze tuurden naar de vallei in de verte, waar de avondzon het kronkelende beekje deed schitteren en de bergflanken goud kleurde. Na een tijdje doorbrak Konijn de stilte.

“Zeg, Eekhoorn. Stel je voor dat we in de vallei zouden wonen.”

“Amai, dat zou de max zijn Konijn!”

“Lekker plonsen in het beekje, zonnen op de rotsen en …”

“… duizenden nootjes eten!” ging Eekhoorn verder.

“Het moet daar de mooiste plek op aarde zijn”, zei Konijn dromerig, terwijl zijn kopje rustte op zijn voorpoten.

 

“Zeg Konijn.”

“Ja Eekhoorn.”

“Wat houdt ons eigenlijk tegen?”

“Om naar de vallei te gaan, bedoel je?”

“Ja … Misschien moeten we gewoon onze spullen pakken en vertrekken.”

 

Voor het eerst die avond keken Konijn en Eekhoorn elkaar diep in de ogen.

“Echt?”, zei Konijn, terwijl zijn hartje sneller begon te slaan.

Eekhoorn knikte gretig en zei opgewonden: “We vertrekken als de zon opkomt!”

Dat ze daar nog niet eerder waren opgekomen!

 

Terwijl de zon verdween achter de bergen, vertelden ze elkaar wat ze gingen meenemen, stippelden ze een route uit en kwamen ze overeen hoeveel wortelen en noten ze gingen meenemen voor de reis. Wat een avontuur! En wat een fijne avond. Voor ze het goed en wel beseften, was het pikkedonker. En ze moesten hun knapzakje nog maken!

 

Net voor ze afscheid namen vroeg konijn:

“Zeg Eekhoorn”, groeit er Edelweiss in de vallei?”

“Geen idee. Waarom?”

“Ik vind dat de mooiste bloem van de hele wereld.”

“Er zijn zeker even mooie bloemen zijn in de vallei”, antwoordde Eekhoorn vastberaden.

“Zeg Eekhoorn. En kunnen we in de vallei even hard van de berg hollen als hier?”

“Ja maar Konijn, in de vallei kan je niet van de berg hollen hoor. Daar ben je al beneden hé.”

“Oh dat is jammer, want ik vind dat heel fijn.”

“Tja Konijn, je kan niet alles willen. Kom we gaan naar ons bedje.”

 

Eekhoorn zag dat Konijn een beetje sip keek. Zijn oren hingen slap over zijn kop. Hij was een beetje bezorgd om zijn vriend.

“Is er iets, Konijn?”

“Weet je wat ik echt ga missen, Eekhoorn? Onze babbels op de dennentak.”

“Ik ook. Maar er zullen in de vallei ook dennentakken liggen.”

“Niet met zicht op de vallei”, zei Konijn.

 

Konijn en Eekhoorn keken elkaar opnieuw enkele tellen diep in de ogen.

 

“Weet je, Konijn”, eigenlijk kunnen we hier aan de bron ook zwemmen. Of zonnen in de Alpenweide.”

“En misschien schittert de beek alleen hierboven als diamanten. En moet je hier zitten om gouden bergen te kunnen zien.”, ging Konijn verder.

Eekhoorn knikte naar zijn vriend en zei:

“Kom Konijn, we gaan slapen. Morgen zelfde tak, zelfde uur?

“Goed idee Eekhoorn! Ik kijk er al naar uit!”

 

En ze zaten nog lang en gelukkig op hun dennentak.

 

 

 

Achter de vreugde

 

De avond valt. Straatlampen springen aan. Twee vrouwen versnellen hun pas en vliegen elkaar in de armen. Vreugde stroomt over het zebrapad.

Een jongeman danst hen voorbij. Live your life staat op zijn T-shirt en blik geschreven. Drie meisjes op de stoep zingen voor hem een lied. Hun lokken krullen rond de melodie.

Naast hen staat een man strak in zijn pak. Hij kijkt op zijn horloge. Tik, tak, tik, tak … dat is haar pas. Hij strekt zijn nek, wuift en drapeert zijn geluk over haar blote schouders.

Achter de vreugde staan twee gewapende mannen die alles zien. Voortaan moeten we onze arrivals buiten opwachten. Een reactie op de schok, toen de vertrekhal een laatste bestemming was geworden.

 

 

De zwemvijver

Het is de eerste hete dag van het jaar. Ik zit in kleermakerszit op mijn badhanddoek en kijk uit over de zonnebadende mensenzee. De zonnebril op mijn neus heeft spiegelglazen zodat ik ongegeneerd kan staren en observeren. Het is een pilootbril. Sinds de film Top Gun moet ik van niets anders meer weten. Ik zie veel tattoos die ooit zwart waren, zonverbrande zwaarlijvigheid in strakke Speedo’s en oververhitte jongens die zwermen rond giechelende meisjes. Kortom, heel Deurne zoekt verkoeling aan de zwemvijver in het Boekenbergpark. En gelijk hebben ze.

Terwijl ik gulzig rondkijk, spreekt een bloedmooie vrouw mij aan. Ze vraagt me vriendelijk om vuur. Haar paarse bikini matcht mooi met haar rosse lokken maar minder met haar witte benen. Deze stoot herinnert mij er aan waarom ik sinds mijn puberteit een spannend broekje onder mijn zwemshort draag. Ze vraagt opnieuw om vuur omdat ik voor me uit blijf staren. Moonstruck. Deze keer toont ze met vragende ogen ook de sigaret die tussen haar ranke vingers zit geklemd. Alsof ik haar niet begrepen heb. Ik schud nee. Teleurgesteld, want voor háár zou ik beginnen roken. Gewoon om haar sigaret te mogen aansteken en zo de sproetjes op haar snoetje te kunnen tellen. Ik hou die gedachte voor mezelf en we nemen afscheid. Ik besluit af te koelen in de zwemvijver.

De temperatuur van het water is 17°C. Ik loop op mijn tippen met opgetrokken middenrif de zwemvijver in alvorens mijn schoolslag aan te vatten. Ik vind het de meest sierlijke der zwemstijlen. Bij crawl heb ik een coördinatieprobleem, vlinderslag heb ik alleen nog maar tijdens de Olympische Spelen gezien en rugslag is om problemen vragen in een overvol bad. Er zwemmen trouwens niet alleen mensen in de zwemvijver. Heel wat insecten spartelen zich een weg naar de eeuwigheid, waaronder helaas ook enkele geteisterde bijen. Andere insecten hebben het vooral op mijn hoofd gemunt. Ik kan ze moeilijk wegslaan omdat het m’n schoolslag zou verstoren. Ik duik onder water en open mijn ogen om mij te kunnen oriënteren. Helaas zonder zwembril waardoor mijn lenzen nu verloren ronddrijven in het groene water. Ik zie geen steek. Zwemmen heeft geen zin meer.

Ik hijs me onzeker uit de vijver en stap verloren richting de zonneweide. Ik kan amper mens van handdoek onderscheiden. Elke 2 seconden tuur ik met dichtgeknepen ogen in de richting van mijn plekje. Ik voel niet alleen de zon, maar ook de blikken op mijn lichaam branden. Laat ze maar kijken, ik zie hun gezichten toch niet. Als bij wonder bereik ik na een eeuwigheid ongeschonden mijn spullen. Angstig door het wazige beeld neemt mijn gehoor het zicht voor een stuk over. Geen lelijke tattoos of verbrande pensen meer. De blijdschap die door het Boekenbergpark galmt, doet de angst van mijn natte lijf glijden. Geluiden uit alle lagen van de samenleving zorgen samen voor de perfecte soundtrack op deze zonnige dag. Tous ensemble in Deurne. Ik leg me neer en sluit mijn ogen.

Kon heel de wereld dit maar horen.