De hoofdrol

Er was eens een wc-rol genaamd Scotty die de hoofdrol wou spelen in een schijtfilm. Het was niet de eerste keer dat hij zich voor zo’n film kandidaat stelde. Maar voorlopig bleef de doorbraak uit. ‘Er zit een geurtje aan de selectieprocedure.’, had hij eens gezegd tegen zijn agent. Door alle afwijzingen die hij te verduren kreeg, was hij van pure miserie fel vermagerd. Laagje per laagje verloor hij aan zelfvertrouwen. Gelukkig had Scotty een dikke huid, anders had hij de filmindustrie al jaren geleden ingeruild voor een supermarktketen, waar hij waarschijnlijk wél op het bovenste schap zou liggen. Maar Scotty was een volhouder met een missie: de Golden Drop winnen als beste wc-rol in een film. Hij wilde beroemde konten vegen zoals zijn illustere voorgangers die onvergetelijke rollen speelden in geweldige schijtfilms als Dumb & Dumber, American Pie, There’s Something About Mary en The Big Lebowski (waar wc-rol Lotus speciaal voor zijn rol vel over karton was). Maar je moet klein durven beginnen, dacht Scotty, die niet te beroerd was om een rol aan te nemen in een b-film. Uiteindelijk had hij meer kans dat er in de undergroundscene een schijtfilm zou gemaakt worden. Scotty had wel een probleem in zijn queeste naar eeuwige roem. Zijn vel was bedrukt met hartjes en hij geurde naar roosjes. De filmindustrie – en de meeste acteurs en actrices – waren meer te vinden voor geurloze, onbedrukte toiletrollen. Toch leek het Scotty een kwestie van tijd eer een superster een wc-rol zoals hij op zijn of haar wishlist zou zetten. En dan was hij vertrokken. Zijn uniciteit in de filmbusiness zou zijn sterkte blijken. Daar was hij heilig van overtuigd. Hij werd beloond voor zijn geduld en vastberadenheid toen zijn agent op een druilerige dag in Los Angeles heugelijk nieuws had.

‘Scotty!’
‘Ja?’
‘Je mag meedoen aan de audities van de nieuwste Bondfilm!’
‘Shit! Serieus?’
‘Yep, het zou een geweldige schijtfilm zijn.’
‘Wow. Speelt Daniel Craig nog steeds James Bond?’
‘Yep. Er komen gouden tijden aan makker. We worden morgen op de set verwacht.’

Scotty voelde zich gelukkiger dan ooit. Hij blonk zijn hartjes op en spoot nog wat rozengeur op zijn zachte huid. The smell of success, dacht hij. Hij voelde tot in het diepst van zijn vezels dat hij op het punt stond beroemd te worden. Hij keek naar de badkamerkast en wist exact waar hij de Golden Drop zou zetten. Vierentwintig uur later hing hij aan een gouden hanger in een fancy hotelkamer toen James Bond op de pot ging zitten. Scotty voelde geen camera’s op hem gericht, maar hij was allang blij dat hij hier mocht hangen. En hij hing hoe hij het liefst hing, rollend met de wijzers van de klok. Dit was zonder twijfel het spannendste moment uit zijn leven. Toen de regisseur ‘Actie!’ riep, begon Bond zijn gevoeg te doen. Scotty zag hem even schudden met zijn gespierde poep en dacht: shaken, not stirred. De superster begon te rollen aan Scotty en nam maar liefst vijf blaadjes die hij op elkaar vouwde. Met mijn vel moet twee volstaan, wist Scotty, maar hij had al opgevangen dat filmsterren graag leven in overdaad. ‘Cut!’, riep de regisseur. En dus werd een nieuwe take opgenomen, met dat verschil natuurlijk dat Daniel Craig nu deed alsof hij moest kakken. Weer nam hij vijf velletjes. En dat voor een poep die al proper is! Scotty voelde zich verkwist. En zo ging het door, cut na cut, tot er van Scotty niets meer overbleef dan een lege rol. En zo voelde hij zich ook. Hij werd door de propsmaster in een vuilbak gesmeten waar hij terechtkwam tussen een hoop andere mislukte wc-rollen. Er hing een schrale rozengeur van gemiste kansen. Nu restte Scotty en de andere wc-rollen niets meer dan wachten tot ze vermalen zouden worden in een papierverwerkingsbedrijf.

Na een slapeloze nacht waarin hij woelde en rolde, ging plots het deksel van de vuilbak open. Hij zag een man speuren die duidelijk naar iets specifiek op zoek was. Op zijn T-shirt stond cleaning services geschreven. Hij haalde de vuilniszak uit de bak, plofte hem neer en haalde er dan met zijn blauwe, doorschijnende handschoentjes de ene na de andere wc-rol uit. Scotty en zijn lotgenoten werden overgeladen in een kleiner plastic zakje dat vervolgens werd dichtgeknoopt. Hij was op van de stress. Wat stond er hem te gebeuren? Toen hij even later in een bestelwagen zat, kon hij alleen maar raden waar hij samen met de andere toiletrollen gedumpt zou worden. Na een uurtje schoof de deur van de bestelwagen open waardoor Scotty plots verblind werd door het felle zonlicht. Hij hoorde in de verte twee kindjes ‘Daddy! Daddy!’ roepen. De oudste van de twee meisjes ritste het zakje uit de man zijn handen, liep ermee naar de woonkamer en scheurde het gretig open. Scotty en de andere rollen tuimelden op de vloer. Grijpgrage handjes namen Scotty mee naar een kindertafeltje, waar hij tussen verfborstels en ander knutselgerei terechtkwam. Vrijwel meteen werd hij onder handen genomen voor een complete, ongewilde make-over. Ook enkele andere rollen ondergingen een wonderbaarlijke metamorfose. Toen het jongste meisje Scotty trots de lucht in stak om aan haar vader te tonen, zag hij in de spiegel van de woonkamer dat hij de Superman onder de wc-rollen was geworden. Met de S van Scotty op zijn buik geschilderd! Hij kreeg een plaatsje op de wandkast tussen enkele andere rollen, maar hij was dé ster. Hij had zijn hoofdrol te pakken en hij leefde nog lang en gelukkig.*

*tot de hond des huizes hem te pakken kreeg, in het toilet dropte en de poetsman besloot Scotty door te spoelen.

 

Schermafbeelding 2019-09-13 om 08.22.42

Discovery channel

Je beveelt me om je alle hoeken van de kamer te laten zien. Ik knik instemmend, maar waarschuw je voor het stof en het web waarin we verstrikt kunnen raken. Dat vind je grappig. Je voegt eraan toe dat je spinnen geil vindt. Omdat ze acht poten hebben om te betasten. Ik antwoord dat ik tien vingers heb en een tong. “Humor”, zeg je, “daar hou ik van”. Je rukt mijn broeksriem los en zwiert hem door de kamer. Ik vraag me af of spinnen een tong hebben. De riem landt in de vorm van een S en ik denk: slangen hebben geen poten maar wel een tong, die bovendien aan het puntje gesplitst is. Maar het zou me verwonderen dat ze je opwinden. In één beweging trek ik je jeans en slipje naar beneden. Ik duw je in de eerste hoek en tits tegen je billen. Dat was dan de tweede keer dat ik je naar rechts swipe. Je naam is Kaat en op Tinder schrijf je dat je liefdesrijmpjes haat. Ik kus je nek en breng je tepels tot leven. Intussen is mijn lul even alert als een koningscobra die heupwiegend danst op het gefluit van een slangenbezweerder. Ik ben mij bewust van de foute beeldspraak. Slangen hebben heupen noch ritme. Ze kunnen wel kronkelen zoals jij op dit moment in een woonkamer waar alles kan. We hebben nog zeven hoeken te gaan. Ik had het kunnen weten. Op je Tinderprofiel stond ook het woord ambitieus geschreven.

Handdoek

Je zit met een vrouw in een hotelkamer. Wat zopas is gebeurd lost op in de hete damp van de douche waar je onderstaat. Door een kier zie je dat de vrouw haar panty’s aantrekt. Haar lippen zijn weer wijnrood, net als 20 minuten geleden. De vrouw steekt geld in haar kousenbroek en bindt haar losbandigheid vast met een babyroze rekker.
Je denkt aan je dochtertje.

Je kiest deze vrouw omdat ze ruikt naar de wasverzachter uit je jeugd. Soms gloeit ze nog na van de man voor jou. Die gloed doet je goed. Het is een welgekomen afwisseling voor de artificiële kilte op kantoor. Je stapt uit de douche en neemt een handdoek van karton. Een sticker op de muur stelt je voor een keuze: je kan dezelfde handdoek blijven gebruiken of je gooit hem op de grond. De eerste optie is beter voor het milieu.

De vrouw loopt zonder iets te zeggen de kamer uit. Je kan geen afscheid nemen van iets dat niet bestaat. Je stort je gezicht in de handdoek en schrobt de ontrouw van je blik. Je kijkt naar jezelf in de badkamerspiegel en ziet dat het niet is gelukt.
Je gooit de handdoek op de grond.
Je denkt aan je vrouw.

Princekoeken

Je loopt tussen de rayons als een model op de catwalk. Je draagt rode stiletto’s met matching lippenstift en een zwarte trenchcoat. De zonnebril op je hoofd doet dienst als diadeem. Je wordt aangestaard door ontbijtgranen, droge beschuiten, een beveiligingscamera en mezelf. Ik zou nochtans liever niet naar je kijken. Want dat is net wat je wil, wat je verwacht. En je bent mijn type niet eens. Je houdt halt bij de koekjes. Kijk eens aan. Hand in de zij en de poep naar achter. Je speurt de schappen af van boven naar onder tot je in een hoek van negentig graden voorovergebogen staat.

Je weet dat ik naar je kijk, is het niet?

Ook al probeer ik de illusie te wekken dat ik alleen oog heb voor beschuiten. Ik bestudeer een pak meergranen Cracottes alsof ik de achterflap van een boek lees. Jij neemt Princekoeken met witte vulling van het schap en loopt dan met je winkelmandje heupwiegend mijn richting uit. Zal ik even vriendelijk knikken als we elkaar kruisen? Dat doe ik altijd tussen de rayons. Ik hoef mijn gedrag niet aan te passen omdat ik denk dat jij ervan uitgaat dat ik je beloer.

Ga je oogcontact zoeken op het moment dat je me passeert?

Ja, en dat doe je langer dan gebruikelijk is tussen vreemden. Je lacht zelfs je gebleekte tanden bloot. Wat een stoute blik! Ik lach verlegen terug en kijk je achterna terwijl je van me weg flaneert. Je vastberaden tred lijkt gestuwd door een drang om bekeken te worden. Of is dit gewoon wie jij écht bent? Een vrouw die trots is op haar schoonheid. Een vrouw die ervan overtuigd is dat het probleem ligt bij mannen zoals ik. Maar ik ben niet zo’n man. Het is niet je schoonheid maar je verpletterend zelfvertrouwen dat mij intrigeert. Ik zet de beschuiten terug, neem een rol Princekoeken met chocoladevulling en reken af aan de kassa.

Ik wandel naar mijn volgende bestemming: de slager. Het is er druk. Ik kijk naar binnen en ik zie hoe levend vlees happig wijst naar dood vlees. Hier wordt gehakt gemaakt van vegetarische voornemens. In de weerspiegeling van het raam zie ik ook twee roze vlekjes. Ik beweeg mijn hoofd en de vlekjes bewegen mee. Instinctief grijp ik verschrikt naar mijn haren. Het zijn de roze speldjes van mijn dochter. Die was ik thuis blijkbaar vergeten uit te doen. Nu weet ik het wel zeker. Je keek niet stout of uitdagend. Je keek spottend, met de gebleekte tanden op elkaar geklemd om de hilariteit binnensmonds te houden. En ik kan je geen ongelijk geven.

Atelier Boshoek

Een gure oostenwind schudt aan de wilg naast het open raam van Ludo’s atelier. De oprit kleurt goud met herfstbladeren en er dwarrelt een blaadje binnen. Ludo duwt zijn sigaret uit in de overvolle asbak. Het is kwart voor zeven ‘s avonds en er draait een plaat van The Smiths. Het is de laatste elpee die hij ooit heeft gekocht. Met gekruiste armen aanschouwt hij vanop afstand een half afgewerkt portret. Hij dwingt zijn ogen tot spleetjes en stapt ernaartoe. Bij elke pas kraakt de plankenvloer, net als zijn gemoed. Hij kantelt zijn hoofd schuin, klakt met zijn tong. Een diepe zucht volgt. De schaduw klopt niet helemaal. Het is altijd iets. Hij kijkt naar de ingelijste vakantiefoto die tegen een lege verfpot leunt. Na meer dan dertig jaar tussen verf en borstels ziet de fotokader er nog steeds onberispelijk uit. Ludo’s ogen glijden naar de muur achter de schildersezel. Daar hangen zestien geschilderde versies van de foto, in twee rijen van acht portretten. Het zijn z’n favorieten uit honderden pogingen. Op geen enkel doek is de glimlach van zijn tienjarige zoon zo zorgeloos als op de foto. Geen enkel portret benadert de vreugde van die prachtige zomerdag in 1986. En toch zal Ludo zijn zoons gezicht blijven strelen met penselen. Hij zet de platenspeler uit in het midden van de song There’s a light that never goes out. Morgen, op Allerheiligen, zal het misschien eindelijk lukken.

Roze als beenham

Het verkeerslicht springt op groen maar ik blijf staan voor jou met je rode trui. Tussen ons een winkelraam, bloemen die staan te sterven in boeketten,
mensen die zichzelf gebogen voorbijlopen aan de snelheid van hun Facebookstream, en dit moment waarop jij aan een lelie ruikt en ik moed opsnuif.
Ik staar je aan en denk: komaan, kijk naar mij. Alleen in je ogen kan ik zien wat ik aan de kant moet zetten: mijn fiets of mijn fantasie.
Je blaast een haarlok uit je gezicht die terug op het puntje van je neus landt.
Ik vraag me af of je ooit mijn zenuwtrekjes zal kennen.
Komaan, zie mij staan. Kijk verder dan je bezige handen. Ze vertellen je niets nieuws meer. Met je blik naar beneden gericht oog je breekbaar als een paardenbloem in een hondenwei, en toch is er die gezonde blos.
Mocht mijn moeder hier staan, ook al zou ze nooit een groen licht negeren,
ze zou zeggen: “Die vrouw heeft de wangen van een slagersdochter.”
Maar ik weet beter. Je hebt geen wangen roze als beenham.
Het zijn wangen zo rood als de tulpen in je handen.

In de duinen van Zeeland

Hij staat beneden aan de trap als hij haar de kraan van de douche hoort opendraaien. Hij doet beheerst zijn schoenen uit en neemt enkele treden. Het geluid van stromend water heeft altijd een bezwerend effect op hem gehad. Hij beeldt zich in hoe ze haar hoofd naar achter kantelt om de stress van de werkweek uit haar krullen te wassen. In zijn gedachten ziet hij een spoor van schuimende shampoo traag langs haar hals naar beneden glijden, tussen haar borsten, tot voorbij haar navel. Hij stelt zich voor hoe ze haar rug strekt terwijl de damp van het hete water haar in een gelukzalige trance brengt. Hij glimlacht bij de gedachte dat het voorspel niet eens begonnen is.

In de traphal ruikt het ondertussen naar roosjes. Hij herkent de geur van vroeger, toen ze samen op kot zaten. Hij kende de uren waarop ze ging douchen in de gemeenschappelijke badkamer eerder dan haar naam. Hij pikte haar zalmroze slipje terwijl ze zich waste voor hij haar voor het eerst gesproken had. Het sexy niemendalletje lag maanden onder zijn matras, slechts enkele meters van haar vandaan toen ze notities kwam lenen. Het zijn herinneringen die hij koestert.

Hij is bijna boven. De trap kraakt onder zijn winterkousen. De opwinding en de whisky doen zijn hoofd tollen. Hij heeft geduld moeten uitoefenen, maar de beloning wacht hem op aan de andere kant van de deur. Juist voor hij haar wil verrassen, kijkt hij naar een fotokader die scheef aan de muur hangt. Ze ziet er gelukkig uit met haar labrador in de duinen van Zeeland. Het is de hond die beneden vredig ligt te slapen. Het zal nog even duren voor het dier wakker wordt, daar heeft hij voor gezorgd. Hij hangt het kader recht met zijn bruinleren handschoenen aan en neemt dan voorzichtig de deurklink vast. Hij hoort haar zachtjes neuriën terwijl het water onverstoorbaar op haar lichaam klettert. In zijn broekzak zit het slipje dat ze al 16 jaar mist. Het slipje waarmee ze straks wakker zal worden.

 

 

Schermafbeelding 2018-02-07 om 21.49.44Schermafbeelding 2018-03-29 om 22.36.48

Binnen de lijnen

 

Het is matchbal. Voor het eerst in mijn leven zal ik een officiële wedstrijd verliezen van Dikken Daan. Papa had zich mijn eerste ronde in de club waarvan hij voorzitter is waarschijnlijk anders voorgesteld. Hij stond te supporteren, maar zijn aanmoedigingen klonken eerder als ergernis. Het is zonder twijfel een voorbode op de verwijten die straks als tennisballen uit een ballenmachine op me worden afgevuurd. Maar wat nog erger is: sinds vandaag hangt het reclamedoek van zijn immobiliënkantoor aan de omheining waar ik nu op sta te kijken. Naast zijn zonnebankbruine hoofd staat de slogan: Ready to serve you. Wat was hij fier toen hij met die kleffe lijn naar huis kwam.

Daan gooit de bal in de lucht en … hij slaat een ace. Game, set en match.

Als ik na de wedstrijd met papa naar het clubhuis wandel, valt de stilte tussen ons me zwaarder dan de nederlaag. Vader lacht zijn gebleachte tanden bloot als we mensen van de club kruisen, maar ik voel de frustratie achter zijn façade. Net voor we de trap naar de cafetaria nemen, draait hij zich naar me toe. Er is niemand in de buurt en dat zal ik geweten hebben.

“Denkt gij dat ik mij een off-day kan permitteren? Als ik een slechte dag zou hebben, dan komt er minder geld binnen. Geld waarmee ik uw trainingen, uw iPhone, uw kleren en weet-ik-wat-nog-allemaal betaal. Maar ik heb geen slechte dagen. Ik sta er altijd. Zeker wanneer het moet. Soit, we babbelen straks verder over de match. Ik moet rond 14u naar de Nachtegalenlaan want de burgemeester zijn dochter heeft interesse in een appartement. Daarna kom ik naar huis. Oké? Hier is 10 euro. Vergeet uw tegenstander geen drankje te trakteren. Anders denken zijn ouders nog dat wij gierig zijn en niet goed tegen ons verlies kunnen. En denk ondertussen maar eens na over wat er is misgelopen.”

Na de donderpreek kamt hij zijn zwartgeverfde haren naar achter met zijn wit zakkammetje. Dat doet hij altijd als hij een goede indruk wil maken. Weet hij veel dat ze hem op de club de Berlusconi van Brasschaat noemen.

Het is 13u30 en ik fiets naar de platenwinkel. De traktatie is er uiteindelijk niet van gekomen. Ik heb de 10 euro besteed aan een bord spaghetti. Ik was op de club ook nog mijn tennistrainer tegen het lijf gelopen. Tijdens mijn match heb ik hem niet gezien. Hij vond het blijkbaar belangrijker om champagne te drinken met Carina, de moeder van mijn dubbelpartner en ook wel een beetje vergane glorie. Toch heeft ze volgens mijn vader al meerdere tennisbroekjes op de enkels gekregen in het bos achter de terreinen. Ik kan maar hopen dat hijzelf niet mee het onderwerp is van zijn roddel.

Aan het rood licht hoor ik getoeter. Als je van de duivel spreekt, zie je hem zitten in zijn wit monster op veel te dikke banden. Het raampje aan de passagierszetel schuift naar beneden. Papa roept: “Thibault!”

Ik vraag wat er scheelt.

“Ik heb niet graag dat ge met uw koptelefoon fietst. Dat is levensgevaarlijk. Ge moet het verkeer kunnen horen!”

Op dat moment slaan mijn stoppen door:

“En gij rijdt altijd in de mensen hun gat. Alsof dat veel veiliger is!”

Ik zet mijn headphones terug op en sla zonder nadenken een zijstraat in. Ik zet de volumeknop nog een streepje luider en trap me de ziel uit het lijf. Alsof ik zo de vernederingen beter van me af kan schudden. Even verder zie ik een immobord hangen waarop mijn vaders stomme kop staat te blinken. Ik neem fietsend een racket uit mijn tenniszak en fixeer mijn ogen op die van mijn kartonnen vader. Ik mep het bord aan diggelen en van de weerslag vliegt het racket uit mijn trillende handen. Tranen rollen over mijn wangen. Opnieuw, maar wel voor de eerste keer buiten mijn slaapkamer. Ik laat het vernielde racket liggen waar het is terechtgekomen en fiets doelloos de velden in.

Ik moet terugdenken aan mijn eerste tennisracket. Mama wou eigenlijk een racketje van de speelgoedwinkel kopen voor het geval ik er na enkele lessen de brui aan zou geven. Vader zag dat niet zitten want dat kwam toch zo goedkoop over. Het werd dus een racket van het merk Babolat. Ik ben het merk al tien jaar trouw, maar nu heb ik toch het gevoel dat ik de grip op mijn rackets én de sport kwijt ben.

Als ik de kerktoren van ons dorp nader, spot ik een vogelverschrikker. Ik krijg een geniaal idee. Alsof de koeien, de vogels, de wind, zeg maar het hele fucking universum, het mij in koor hebben ingefluisterd. Ik smijt mijn fiets aan de kant, neem mijn tenniszak en loop naar de strooien pop in het veld. Mijn woede maakt plaats voor pure opwinding. Ik neem mijn vuile kleren uit de tas en begin de pop aan te kleden. Ik steek er al mijn tennisrackets in. Hoe meer ik van mezelf geef aan de vogelverschrikker, hoe vrijer ik me voel. Ik loop terug naar m’n fiets en slinger mijn tennistas de gracht in. Tijd om naar de Nachtegalenlaan te fietsen en mijn vader te laten kennismaken met de nieuwe Thibault. Het kan me niet schelen dat hij daar met de dochter van de burgemeester staat. Vandaag heb ik een belangrijke match gewonnen.

Nutcase

De schaamte. Ik voel ze vooral hier, in de supermarkt. Mensen mijden oogcontact sinds ik de ronde doe als een virale infectie. Ze kijken me aan wanneer ik mijn boodschappenlijstje doorstreep of het etiket van een fles wijn lees. Hun geniepige blikken branden door mijn winterjas. Het is zelfs zo erg geworden dat ik mijn vlees niet meer laat afsnijden bij de slager. Voortaan koop ik alles voorverpakt. Wat maakt het ook uit. Alles heeft een wrange bijsmaak tegenwoordig.

 Ze zeggen dat mijn masker is afgevallen. Ze menen te weten wie ik nu écht ben. Maar wie was ik daarvoor dan? Iemand die de schijn ophield? Dat zeggen ze ook. En oké, ik was de controle verloren en de gevolgen zijn drastisch. Het is een jammerlijk feit uit een leven dat al 41 jaar braaf bestaat. Maar ben ik door het voorval veranderd? Ik geef de planten evenveel water als vroeger. Ik slaap nog altijd op mijn buik en ik kijk met evenveel spijt terug op bepaalde keuzes in mijn leven.

Maar goed. Het is dus gebeurd en veel mensen hebben het gezien. Ik ben nu officieel de nutcase van het dorp. De overdaad aan wijn en goedkope pralines in mijn winkelkar zullen die perceptie alleen maar voeden. Aan de kassa komen daar nog roddelboekjes bij. Mocht ik niet beter weten, ik zou denken dat het bewijs van mijn teloorgang naar de kassière schuift. Ik betaal de rekening en krijg er gratis een afkeurende blik van de winkelbediende bij. Wat een conservatief hol is dit toch.

En als ik eerlijk mag zijn: vóór de schaamte was ik trotst op mezelf. Fier op mijn daadkracht en uitstekend gevoel voor timing. Als een slechtvalk die in vrije val zijn prooi vangt. 12 jaar geleden, toen ik hem voor het eerst zag, had ik het lef nog niet. Hij kwam toen spreken over zijn investeringsplannen in de regio. Ik walgde van zijn dominante houding en vrouwonvriendelijk gezwets, maar als kersvers communicatiemedewerker van de gemeente deed ik wat van mij werd verwacht. Ik bedankte hem na zijn speech voor zijn kostbare tijd met een uitstekende fles Bordeaux. Hij nam de fles aan, gaf me een zoen en fluisterde onder luid applaus in mijn oor: “Heb je plannen vanavond, Barbie?” Ik was te geschokt om te reageren. Hij genoot van zijn macht.

Dat was ons laatste contact tot vorige maand, toen hij terug naar ons dorp kwam. Hij was hier niet om te spreken over de investeringen die uiteindelijk nooit zijn doorgegaan, maar om verkozen te worden. Ik overhandigde hem opnieuw een fles Bordeaux. Deze keer met een extraatje erbij. Om het in de woorden van de wereldpers te zeggen:

“Lady grabs Trump by the nuts after speech.”

 

Uit zo’n 500 inzendingen haalde ‘Nutcase’ de longlist (17 finalisten) van de schrijfwedstrijd ‘Barbiepop’. De wedstrijd was een initiatief van Schrijven Online en de Nederlandse Schrijversacademie.

De vallei

 

Voor mijn petekind, Lisa-Bella.

 

Het was een zachte zomeravond toen Eekhoorn en Konijn samen op een afgebroken dennentak zaten. Ze tuurden naar de vallei in de verte, waar de avondzon het kronkelende beekje deed schitteren en de bergflanken goud kleurde. Na een tijdje doorbrak Konijn de stilte.

“Zeg, Eekhoorn. Stel je voor dat we in de vallei zouden wonen.”

“Amai, dat zou de max zijn Konijn!”

“Lekker plonsen in het beekje, zonnen op de rotsen en …”

“… duizenden nootjes eten!” ging Eekhoorn verder.

“Het moet daar de mooiste plek op aarde zijn”, zei Konijn dromerig, terwijl zijn kopje rustte op zijn voorpoten.

 

“Zeg Konijn.”

“Ja Eekhoorn.”

“Wat houdt ons eigenlijk tegen?”

“Om naar de vallei te gaan, bedoel je?”

“Ja … Misschien moeten we gewoon onze spullen pakken en vertrekken.”

 

Voor het eerst die avond keken Konijn en Eekhoorn elkaar diep in de ogen.

“Echt?”, zei Konijn, terwijl zijn hartje sneller begon te slaan.

Eekhoorn knikte gretig en zei opgewonden: “We vertrekken als de zon opkomt!”

Dat ze daar nog niet eerder waren opgekomen!

 

Terwijl de zon verdween achter de bergen, vertelden ze elkaar wat ze gingen meenemen, stippelden ze een route uit en kwamen ze overeen hoeveel wortelen en noten ze gingen meenemen voor de reis. Wat een avontuur! En wat een fijne avond. Voor ze het goed en wel beseften, was het pikkedonker. En ze moesten hun knapzakje nog maken!

 

Net voor ze afscheid namen vroeg konijn:

“Zeg Eekhoorn”, groeit er Edelweiss in de vallei?”

“Geen idee. Waarom?”

“Ik vind dat de mooiste bloem van de hele wereld.”

“Er zijn zeker even mooie bloemen in de vallei”, antwoordde Eekhoorn vastberaden.

“Zeg Eekhoorn. En kunnen we in de vallei even hard van de berg hollen als hier?”

“Ja maar Konijn, in de vallei kan je niet van de berg hollen hoor. Daar ben je al beneden hé.”

“Oh dat is jammer, want ik vind dat heel fijn.”

“Tja Konijn, je kan niet alles willen. Kom we gaan naar ons bedje.”

 

Eekhoorn zag dat Konijn een beetje sip keek. Zijn oren hingen slap over zijn kop. Hij was een beetje bezorgd om zijn vriend.

“Is er iets, Konijn?”

“Weet je wat ik echt ga missen, Eekhoorn? Onze babbels op de dennentak.”

“Ik ook. Maar er zullen in de vallei ook dennentakken liggen.”

“Niet met zicht op de vallei”, zei Konijn.

 

Konijn en Eekhoorn keken elkaar opnieuw enkele tellen diep in de ogen.

 

“Weet je, Konijn”, eigenlijk kunnen we hier aan de bron ook zwemmen. Of zonnen in de Alpenweide.”

“En misschien schittert de beek alleen hierboven als diamanten. En moet je hier zitten om gouden bergen te kunnen zien.”, ging Konijn verder.

Eekhoorn knikte naar zijn vriend en zei:

“Kom Konijn, we gaan slapen. Morgen zelfde tak, zelfde uur?

“Goed idee Eekhoorn! Ik kijk er al naar uit!”

 

En ze zaten nog lang en gelukkig op hun dennentak.