Morgen

Dit is vandaag.
Vandaag wil ik leven in het moment.
Ik lig ondergedompeld in het nu wanneer Morgen op het gebruikelijke uur met de deur in huis valt. Zoals gewoonlijk herinnert Morgen mij aan de dingen die ik niet mag vergeten en aan de plannen die moeten leiden tot een interessanter leven. Maar vandaag keer ik Morgen de rug toe. Ik zeg: ‘Vandaag niet, Morgen. Vandaag wil ik leven in het moment.’ Morgen kijkt me verbaasd aan. ‘Ik kan me niet herinneren dat ik je dat gisteren gezegd heb. Dat stond niet op de planning.’, krijg ik als antwoord. Ik zeg dat ik vanochtend met het idee wakker ben geworden. Het was een ingeving van het moment, als het even mag zeg! ‘Zal ik morgen terugkomen?’, vraagt Morgen, die met nostalgie terugdenkt aan gisteren, toen we samen plannen maakten waar vandaag niks van in huis lijkt te komen. ‘Dat zien we dan wel.’, antwoord ik gapend, terwijl Morgen verslagen de kamer verlaat. Ik zet me op de rand van het bed en neem mijn schriftje. Ik noteer: Vandaag is een strijd tussen gisteren, zoals we toen dachten dat morgen eruit zou zien, en alles wat we voor vandaag niet konden voorzien.
Grappig toch. Morgen had me gisteren gezegd dat ik vandaag een quote zou verzinnen.

Sunlight

 

“Het ruikt hier naar de hemel.”

?”

“Dat het hier naar de hemel ruikt.”

“De hemel?”

“Ja, de hemel. En Sunlight zeep.”

“Ik riek niks.”

“Zelfs niet die rottende meeuw?”

“Nee … Maar gij hebt altijd een betere neus gehad dan ik.”

Da’s waar. Maar die meeuw stinkt wel erg hard.”

“Hoe weet gij zo zeker dat ge die meeuw riekt?”

“Ik zou niet weten wat het anders kan zijn.”

“We kunnen ook ergens anders gaan zitten.”

“We zitten altijd hier.”

“We zitten hier goed.”

 

“Zeg en de zeelucht. Ruikt ge die?”

“Nee. Daarvoor wonen we hier al te lang.”

“Awel schat, dan snap ik waarom gij de hemel niet ruikt.”

“Maar die meeuw, dat vind ik echt straf.”

 

NZ2 144