Wegzinken

Een man drijft zoals een dorre tak op de rivier. Met het hoofd eerst
volgt hij de weg van de minste weerstand. Soms blijft hij haperen aan de bodem
van zijn geheugen; aan dat wat ooit was en wat nooit zou gebeuren. Hij staart
de wolken uit de hemel.

Een libelle landt op zijn buik, beseft dat hij stuurloos is, vliegt weer weg.
Bomen buigen zich over zijn lot en schudden van nee. Zelfs de keien wijken.
De man laat zijn armen zinken. Vingertoppen glijden over algen en hij voelt haar
lange haren zoals het was, zoals het nooit is gebeurd.

Voedsel, beschutting en een beetje troost

In een tuin die niet de mijne is, sta ik oog in oog met een eeuwenoude beuk.
Ik laat mijn blik glijden over takken die verder reiken dan een mensenleven.
Zijn kruin is weelderig, zijn stam lijkt nooit geknakt onder de grillen van eender welke tijd. Een beuk van zijn status wuift niet naar mensen. Hij staat erbij en kijkt onbewogen naar onze vergankelijkheid. Als je de Franse Revolutie en alle miserie sinds toen hebt getrotseerd, kan je jezelf veel permitteren. Deze beuk is een heerser. Kijk eens hoe het leven vleiend rond hem fladdert in ruil voor voedsel, beschutting en, wie weet, een beetje troost. Zijn aanwezigheid is zowel een geruststelling als een vanzelfsprekendheid. Zijn wortels zijn verstrengeld met de geschiedenis van dit dorp en zijn inwoners. En ik ben gewoon een van zijn vele gasten die de voorbije eeuwen de tijd hebben genomen om even bij hem stil te staan. Op zoek naar antwoorden, de essentie of gewoon om even te kunnen verdwijnen in zijn schaduw. Tussen het geritsel van zijn bladeren door lijkt hij mij te willen vertellen dat geluk even vanzelfsprekend kan zijn als het leven van een beuk. Ik begrijp dat er geen zoektocht hoeft te zijn naar het utopische onbekende en dat escapisme een illusie is. Rond zijn blakende stam draait alles om de orde van de dag: voedsel, beschutting en, wie weet, een beetje troost. Het maakt niet uit hoe de zon staat, ik zal altijd in zijn schaduw staan. Daar, in die tuin die niet de mijne is, besef ik hoe ik groot wil worden.

 

IMG_6710Volgens de eigenares van ons vakantiehuisje in Libin staat deze prachtige beuk hier sinds de periode van de Franse Revolutie.

Venster op de dag

Het is vier uur in een verstilde namiddag. De zon laat zichzelf binnen en nestelt zich naast me in een hoek van de zetel. Het is een kwestie van tijd voor ze zich ongegeneerd over me uit zal strekken. In mijn handen rust een bundel open en bloot. Het kwetsbare gedicht lijkt authentieker in natuurlijk licht. Mijn vingers leggen de poëzie het zwijgen op en mijn ogen bladeren van scholier naar scholier. Ze fietsen langs mijn venster op de dag. Ze hebben meer oog voor hun zelfbeeld dan voor de weg die hen te wachten staat. Ze gaan gebukt onder boeken die zelden over het echte leven gaan. Stuk voor stuk dragen ze helmen voor de dromen van ouders die ontgoochelingen willen voorkomen. Ze verliezen de blos op hun wangen de dag dat ze zich niet meer onsterfelijk wanen.

Het is vier uur in een verstilde namiddag en het fietspad is een tijdlijn van mijn vroegere ik. Mijn vingers zijn nog steeds gedrukt op de lippen van hetzelfde gedicht.

(geen titel)

Je bril vangt druppels uit een stortbui.
Eentje kronkelt zich een weg naar de rand van je montuur en blijft halverwege hangen. De zwaartekracht heeft minder te zeggen in het licht van je ogen.

Je vraagt je af wat het ergste is:
opgaan in een plas aan je voeten of verdwijnen in een brillendoekje.

Je ziet nu een traan in de druppel.
Je wandelt verder met aangeslagen brillenglazen.

Geruis

In dit eeuwige geruis blijven wij oorverdovend stil.
We laten de pijn bovendrijven en aanspoelen.
Je graaft je tenen in het zand en je hoofd in mijn troost.
Wolken kabbelen boven de storm die je ademt
en de meeuwen, ze pikken nooit je zorgen mee.

Straks drijft het schijnsel van de maan op zee.
Dan vis ik het uit de nacht, drapeer het rond je slapende schouders.
En als de zon begint te schijnen, breng ik je diamanten als ontbijt.
Elk dag opnieuw zal ik je meenemen naar dit eeuwige geruis
tot de wind mij de juiste woorden influistert.

Luciferbenen

In het najaar werpt de zon weer langere schaduwen uit. Ik kijk ernaar en zie een uitgelopen versie van de realiteit. Glazen worden vazen, tuinhuisjes worden vuurtorens, zanglijsters worden roofvogels en kinderen worden reuzen, met vingers die de horizon willen strelen. Ze krijgen eindeloze luciferbenen die de breekbaarheid van hun jonge jaren insinueren. Ik kijk ook naar mijn eigen uitgerekte schaduw. Het is een schim van mezelf die geen emoties prijsgeeft. Het is een donkere vlek waarin ik soms in mezelf wil keren. Het is een vertrouwd silhouet dat ik uit dit moment wil knippen om te bewaren voor de rest van mijn leven.