Ode aan een verguisd muziekgenre

Tijdens mijn ouderschapsverlof heb ik een aantal voornemens opgesteld waarmee ik je nu niet ga vervelen. Ik heb ze nog niet opgeschreven maar ze zitten klaar in mijn hoofd als bankzitters die zich opwarmen om eindelijk te mogen invallen. Eén van die voornemens is meer beweging, onder andere via avondwandelingen.

En zo geschiedde na een videocall van meer dan vier (!) uur. Spotify stond op shuffle. Nick Cave liet me engelen in de wolken zien, Nils Frahm schilderde landschappen met zijn piano en Corey Taylor van Slipknot brulde het doek zonder pardon aan flarden. Er volgde meer nu-metal, een verguisd muziekgenre dat metal combineert met puberale teksten en andere stijlen zoals hiphop, rock, reggae, pop en dance. De playlist slingerde mij terug naar de late nineties. Dit was de muziek waarmee ik mijn speakers en ouders terroriseerde. Ik droeg toen baggy jeans, bandshirts en Adidas-sneakers die je nu weer in het straatbeeld ziet. Mijn haar stond stijf van de gel en ik had net als mijn muzikale helden een sik en bakkebaarden. Vooral Deftones, Korn, Limp Bizkit en Slipknot waren een uitlaatklep in onzekere tijden.

Waarom vind ik nu-metal van toen twintig jaar later nog steeds aanstekelijk? Nostalgie is mijlenver de belangrijkste reden. Maar de cocktail van zware gitaren, aanstekelijke zanglijnen – afgewisseld met grunts en screams (ofwel gebrul) – en beats en breaks die je in een club verwacht, ontketent het beest in mij. Zo vind je me weleens headbangend en meebrullend achter het stuur als ik tegen dertig kilometer per uur door de dorpskern rijd. Helaas heeft de muziekindustrie met dollartekens in de ogen nu-metal geprostitueerd. Boysbands met dezelfde tattoos, sikjes, gelpiekjes en eyeliners maar met minder talent teerden op het succes van voornoemde protagonisten. De woede die mij aansprak in de bands die ik geweldig vond, klonk gemarket bij hun klonen. Hun inspiratieloze deuntjes luidden meteen het einde in van een genre dat hooguit vijf jaar mocht proeven van de roem.

Terug thuis van de avondwandeling was ik benieuwd naar hoe die gasten er tegenwoordig uitzien. Het antwoord is simpel: hetzelfde, maar tien kilo dikker, minder haar om piekjes van te maken, dikkere eyeliner en meer tattoos. Van al die bands volg ik alleen Deftones nog op de voet. Hun muziek (én hun garderobe) is continu geëvolueerd zonder krampachtig hip of radiovriendelijk te willen zijn. De zanger, Chino Moreno, is fan van Morissey, The Cure, PJ Harvey en Nick Cave. Dat duister kantje hoor je in zijn zanglijnen. Deftones is verre van mainstream en jullie vinden het misschien bagger. Dat maakt niet uit. Minder aan verwachtingen willen voldoen, is ook een van die voornemens die ik in mijn hoofd heb geprent.

Een van hun bekendste songs uit White Pony (2000).