Beuk

Ik schreef afgelopen zomer een prozastukje genaamd ‘Voedsel, beschutting en een beetje troost’. Ik heb het herwerkt tot een gedicht.

Beuk

In een tuin die niet de mijne is
zie ik je takken eeuwen dragen.
Nooit zijn ze geknakt onder het juk
van de zwaarste dagen,
beuk.

De waanzin genaamd geschiedenis
die aan je schors is blijven kleven,
vertel het me tussen het geritsel
van je bladeren door.

De generaties die je rond je zag
zijn vereeuwigd in je annalen.
Keek je al die tijd neer
op onze broosheid?

Ach ik ben hier niet voor antwoorden.
Ik wil gewoon je schaduw om me
slaan, als het mag
in je tuin,
beuk.

De zin

 

Ik vroeg de dichteres
naar de zin van het leven.

Haar antwoord liet me achter
met de blik van een lompvis.

Zo zei ze: ‘In de zin van het leven
staat minstens één woord dat je
geen verklaring kan geven.’

Dus ik vroeg haar om een mooie zin
met het woord hemeldragonder.

Er vielen witregels uit haar mond.
Ik raapte ze een voor een op, dankbaar
voor onze gedeelde grond.

Op de laatste regel stond geschreven:
‘Vul deze zin zelf maar in’, en ik wist

zet nooit een punt achter
de zin van het leven