Als het huis slaapt

 

Als het huis slaapt

laat ik de letters stiekem binnen.

Dan zeg ik: “Welkom. Neem plaats in dit gedicht.”

In het begin komt er geen zinnig woord uit.

De o’s rollen met de ogen

v’s en w’s klappen dicht

een Griekse y loopt wat verloren

b’s en d’s maken zich dik

een k staat wankel op zijn poten

twee m’en roepen om hun mama

de q wil zijn plaats verloten

een ontzette z verkoopt wat drama

één p en drie f’en beginnen te zuchten

de a zet zich op de h en denkt na

enkele letters kunnen elkaar niet luchten

drie x’en dromen van erotische proza.

Gelukkig heb je nog de i’s en de j’s

die steken de koppen bij elkaar

want schrijven is lijden met lange ij

en voor je het weet

krijg je een gedicht voor mekaar.

Advertenties

De laatste paardenbloem

 

Je staat alleen in een wei en je denkt: hoe moet het nu verder

als zelfs paardenbloemen met uitsterven zijn bedreigd.

Wolken glijden voorbij, vol van zichzelf. Je laat je gedachten

meedrijven in de hoop dat ze je ergens naartoe zullen leiden.

Aan de horizon wordt een bos door schemer opgeslokt.

Bomen wuiven om hulp. Donkerte dreigt over je heen te rollen.

Je blaast het pluis van een laatste paardenbloem en wenst

een wereld waarin je zelf tot bloei kan komen.

 

Boechout beweegt

Geen winst, wel een van de drie finalisten van de gedichtenwedstrijd ‘Iedereen Dichter’. De wedstrijd werd georganiseerd door de gemeente Boechout. De geweldige dichter Marc Tristsmans zat in de jury. Dat vind ik wel een leuke extra!

 

 

boechout beweegt

 

 

 

Vloedlijn

 

Wij liepen hand in hand over een achtergelaten strand.

De wind woei de winter uit onze kleren en de zee

ging op in de hemel zoals wij in elkaar opgaan

onder deinende dekens. Mijn lustige woorden

deden je blozen en je sloeg je ogen neer

als golven die breken.

 

Ik vraag me af of je toen al dacht aan de vloedlijn

die je later in mijn rug zou krassen om te zeggen

dat er tussen ons geen sprake is van terugtrekken.

 

Nachtkastje

 

Wij liggen zij aan zij als twee makrelen in de verstoog.

Jij vindt dat een ongelukkige vergelijking, keert me de rug toe

en zucht de fles wijn van een lichamelijke avond de kamer in.

Het is jouw manier om de aanstormende dag te verjagen.

 

Aan de andere kant van de muur wordt een nieuwe wereld opgetrokken uit lakens.

Ik hoor zijn scheppers fluisteren om de realiteit niet wakker te maken.

Dit rijk staat of valt met wasknijpers. Ik zou het willen veroveren

en in het nachtkastje van mijn geheugen achterlaten.

 

Ondertussen loert de schemer binnen. Ik negeer zijn blik,

verdwijn liever onder het deken van ons gemoedelijke leven.

Twee makrelen spartelen nog even tegen.