De vallei

 

Voor mijn petekind, Lisa-Bella.

 

Het was een zachte zomeravond toen Eekhoorn en Konijn samen op een afgebroken dennentak zaten. Ze tuurden naar de vallei in de verte, waar de avondzon het kronkelende beekje deed schitteren en de bergflanken goud kleurde. Na een tijdje doorbrak Konijn de stilte.

“Zeg, Eekhoorn. Stel je voor dat we in de vallei zouden wonen.”

“Amai, dat zou de max zijn Konijn!”

“Lekker plonsen in het beekje, zonnen op de rotsen en …”

“… duizenden nootjes eten!” ging Eekhoorn verder.

“Het moet daar de mooiste plek op aarde zijn”, zei Konijn dromerig, terwijl zijn kopje rustte op zijn voorpoten.

 

“Zeg Konijn.”

“Ja Eekhoorn.”

“Wat houdt ons eigenlijk tegen?”

“Om naar de vallei te gaan, bedoel je?”

“Ja … Misschien moeten we gewoon onze spullen pakken en vertrekken.”

 

Voor het eerst die avond keken Konijn en Eekhoorn elkaar diep in de ogen.

“Echt?”, zei Konijn, terwijl zijn hartje sneller begon te slaan.

Eekhoorn knikte gretig en zei opgewonden: “We vertrekken als de zon opkomt!”

Dat ze daar nog niet eerder waren opgekomen!

 

Terwijl de zon verdween achter de bergen, vertelden ze elkaar wat ze gingen meenemen, stippelden ze een route uit en kwamen ze overeen hoeveel wortelen en noten ze gingen meenemen voor de reis. Wat een avontuur! En wat een fijne avond. Voor ze het goed en wel beseften, was het pikkedonker. En ze moesten hun knapzakje nog maken!

 

Net voor ze afscheid namen vroeg konijn:

“Zeg Eekhoorn”, groeit er Edelweiss in de vallei?”

“Geen idee. Waarom?”

“Ik vind dat de mooiste bloem van de hele wereld.”

“Er zijn zeker even mooie bloemen zijn in de vallei”, antwoordde Eekhoorn vastberaden.

“Zeg Eekhoorn. En kunnen we in de vallei even hard van de berg hollen als hier?”

“Ja maar Konijn, in de vallei kan je niet van de berg hollen hoor. Daar ben je al beneden hé.”

“Oh dat is jammer, want ik vind dat heel fijn.”

“Tja Konijn, je kan niet alles willen. Kom we gaan naar ons bedje.”

 

Eekhoorn zag dat Konijn een beetje sip keek. Zijn oren hingen slap over zijn kop. Hij was een beetje bezorgd om zijn vriend.

“Is er iets, Konijn?”

“Weet je wat ik echt ga missen, Eekhoorn? Onze babbels op de dennentak.”

“Ik ook. Maar er zullen in de vallei ook dennentakken liggen.”

“Niet met zicht op de vallei”, zei Konijn.

 

Konijn en Eekhoorn keken elkaar opnieuw enkele tellen diep in de ogen.

 

“Weet je, Konijn”, eigenlijk kunnen we hier aan de bron ook zwemmen. Of zonnen in de Alpenweide.”

“En misschien schittert de beek alleen hierboven als diamanten. En moet je hier zitten om gouden bergen te kunnen zien.”, ging Konijn verder.

Eekhoorn knikte naar zijn vriend en zei:

“Kom Konijn, we gaan slapen. Morgen zelfde tak, zelfde uur?

“Goed idee Eekhoorn! Ik kijk er al naar uit!”

 

En ze zaten nog lang en gelukkig op hun dennentak.

 

 

 

Advertenties