Côte du Commerce

Laat ons twee weken de rest van het jaar uitzweten.
Laat ons liggend strijden om de mooiste teint;
op onze rug, onze buik of drijvend
op ijdelheid. Laat ons baden in superioriteit.
Nous sommes quand même tous des Européens.

Laat ons twee weken vet kweken.
Laat vuilnisbakken onze mateloosheid uitbraken
op het strand en laat de zee erin stikken.
De branding zal onze enkels likken
met het schuim op de lippen.

Laat ons dan naar de einder kijken en inzien
dat de horizon er gekarteld bijligt.
Morgen laat zijn tanden zien.

Geruis

In dit eeuwige geruis blijven wij oorverdovend stil.
We laten de pijn bovendrijven en aanspoelen.
Je graaft je tenen in het zand en je hoofd in mijn troost.
Wolken kabbelen boven de storm die je ademt
en de meeuwen, ze pikken nooit je zorgen mee.

Straks drijft het schijnsel van de maan op zee.
Dan vis ik het uit de nacht, drapeer het rond je slapende schouders.
En als de zon begint te schijnen, breng ik je diamanten als ontbijt.
Elk dag opnieuw zal ik je meenemen naar dit eeuwige geruis
tot de wind mij de juiste woorden influistert.

Vloedlijn

 

Wij liepen hand in hand over een achtergelaten strand.

De wind woei de winter uit onze kleren en de zee

ging op in de hemel zoals wij in elkaar opgaan

onder deinende dekens. Mijn lustige woorden

deden je blozen en je sloeg je ogen neer

als golven die breken.

 

Ik vraag me af of je toen al dacht aan de vloedlijn

die je later in mijn rug zou krassen om te zeggen

dat er tussen ons geen sprake is van terugtrekken.

 

Sunlight

 

“Het ruikt hier naar de hemel.”

?”

“Dat het hier naar de hemel ruikt.”

“De hemel?”

“Ja, de hemel. En Sunlight zeep.”

“Ik riek niks.”

“Zelfs niet die rottende meeuw?”

“Nee … Maar gij hebt altijd een betere neus gehad dan ik.”

Da’s waar. Maar die meeuw stinkt wel erg hard.”

“Hoe weet gij zo zeker dat ge die meeuw riekt?”

“Ik zou niet weten wat het anders kan zijn.”

“We kunnen ook ergens anders gaan zitten.”

“We zitten altijd hier.”

“We zitten hier goed.”

 

“Zeg en de zeelucht. Ruikt ge die?”

“Nee. Daarvoor wonen we hier al te lang.”

“Awel schat, dan snap ik waarom gij de hemel niet ruikt.”

“Maar die meeuw, dat vind ik echt straf.”

 

NZ2 144