Wegzinken

Een man drijft zoals een dorre tak op de rivier. Met het hoofd eerst
volgt hij de weg van de minste weerstand. Soms blijft hij haperen aan de bodem
van zijn geheugen; aan dat wat ooit was en wat nooit zou gebeuren. Hij staart
de wolken uit de hemel.

Een libelle landt op zijn buik, beseft dat hij stuurloos is, vliegt weer weg.
Bomen buigen zich over zijn lot en schudden van nee. Zelfs de keien wijken.
De man laat zijn armen zinken. Vingertoppen glijden over algen en hij voelt haar
lange haren zoals het was, zoals het nooit is gebeurd.