Achter de vreugde

 

De avond valt. Straatlampen springen aan. Twee vrouwen versnellen hun pas en vliegen elkaar in de armen. Vreugde stroomt over het zebrapad.

Een jongeman danst hen voorbij. Live your life staat op zijn T-shirt en blik geschreven. Drie meisjes op de stoep zingen voor hem een lied. Hun lokken krullen rond de melodie.

Naast hen staat een man strak in zijn pak. Hij kijkt op zijn horloge. Tik, tak, tik, tak … dat is haar pas. Hij strekt zijn nek, wuift en drapeert zijn geluk over haar blote schouders.

Achter de vreugde staan twee gewapende mannen die alles zien. Voortaan moeten we onze arrivals buiten opwachten. Een reactie op de schok, toen de vertrekhal een laatste bestemming was geworden.

 

 

De zwemvijver

Het is de eerste hete dag van het jaar. Ik zit in kleermakerszit op mijn badhanddoek en kijk uit over de zonnebadende mensenzee. De zonnebril op mijn neus heeft spiegelglazen zodat ik ongegeneerd kan staren en observeren. Het is een pilootbril. Sinds de film Top Gun moet ik van niets anders meer weten. Ik zie veel tattoos die ooit zwart waren, zonverbrande zwaarlijvigheid in strakke Speedo’s en oververhitte jongens die zwermen rond giechelende meisjes. Kortom, heel Deurne zoekt verkoeling aan de zwemvijver in het Boekenbergpark. En gelijk hebben ze.

Terwijl ik gulzig rondkijk, spreekt een bloedmooie vrouw mij aan. Ze vraagt me vriendelijk om vuur. Haar paarse bikini matcht mooi met haar rosse lokken maar minder met haar witte benen. Deze stoot herinnert mij er aan waarom ik sinds mijn puberteit een spannend broekje onder mijn zwemshort draag. Ze vraagt opnieuw om vuur omdat ik voor me uit blijf staren. Moonstruck. Deze keer toont ze met vragende ogen ook de sigaret die tussen haar ranke vingers zit geklemd. Alsof ik haar niet begrepen heb. Ik schud nee. Teleurgesteld, want voor háár zou ik beginnen roken. Gewoon om haar sigaret te mogen aansteken en zo de sproetjes op haar snoetje te kunnen tellen. Ik hou die gedachte voor mezelf en we nemen afscheid. Ik besluit af te koelen in de zwemvijver.

De temperatuur van het water is 17°C. Ik loop op mijn tippen met opgetrokken middenrif de zwemvijver in alvorens mijn schoolslag aan te vatten. Ik vind het de meest sierlijke der zwemstijlen. Bij crawl heb ik een coördinatieprobleem, vlinderslag heb ik alleen nog maar tijdens de Olympische Spelen gezien en rugslag is om problemen vragen in een overvol bad. Er zwemmen trouwens niet alleen mensen in de zwemvijver. Heel wat insecten spartelen zich een weg naar de eeuwigheid, waaronder helaas ook enkele geteisterde bijen. Andere insecten hebben het vooral op mijn hoofd gemunt. Ik kan ze moeilijk wegslaan omdat het m’n schoolslag zou verstoren. Ik duik onder water en open mijn ogen om mij te kunnen oriënteren. Helaas zonder zwembril waardoor mijn lenzen nu verloren ronddrijven in het groene water. Ik zie geen steek. Zwemmen heeft geen zin meer.

Ik hijs me onzeker uit de vijver en stap verloren richting de zonneweide. Ik kan amper mens van handdoek onderscheiden. Elke 2 seconden tuur ik met dichtgeknepen ogen in de richting van mijn plekje. Ik voel niet alleen de zon, maar ook de blikken op mijn lichaam branden. Laat ze maar kijken, ik zie hun gezichten toch niet. Als bij wonder bereik ik na een eeuwigheid ongeschonden mijn spullen. Angstig door het wazige beeld neemt mijn gehoor het zicht voor een stuk over. Geen lelijke tattoos of verbrande pensen meer. De blijdschap die door het Boekenbergpark galmt, doet de angst van mijn natte lijf glijden. Geluiden uit alle lagen van de samenleving zorgen samen voor de perfecte soundtrack op deze zonnige dag. Tous ensemble in Deurne. Ik leg me neer en sluit mijn ogen.

Kon heel de wereld dit maar horen.

 

 

Sunlight

 

“Het ruikt hier naar de hemel.”

?”

“Dat het hier naar de hemel ruikt.”

“De hemel?”

“Ja, de hemel. En Sunlight zeep.”

“Ik riek niks.”

“Zelfs niet die rottende meeuw?”

“Nee … Maar gij hebt altijd een betere neus gehad dan ik.”

Da’s waar. Maar die meeuw stinkt wel erg hard.”

“Hoe weet gij zo zeker dat ge die meeuw riekt?”

“Ik zou niet weten wat het anders kan zijn.”

“We kunnen ook ergens anders gaan zitten.”

“We zitten altijd hier.”

“We zitten hier goed.”

 

“Zeg en de zeelucht. Ruikt ge die?”

“Nee. Daarvoor wonen we hier al te lang.”

“Awel schat, dan snap ik waarom gij de hemel niet ruikt.”

“Maar die meeuw, dat vind ik echt straf.”

 

NZ2 144

Met open mond

Dag Jan

Bedankt voor je attente brief. Je hebt gelijk. Ik loop al een tijdje op mijn tandvlees. Je empathie doet me dan ook deugd. Het zal inderdaad een jaartje geleden zijn dat we elkaar hebben gezien. Ik herinner het me nog alsof het gisteren was. Je hebt mij toen flink uit de nood geholpen. Ik ben je er nog steeds erg dankbaar voor, ook al eindigde ons onderonsje enigszins verdwaasd met een dubbele tong. Weet je nog hoe je meezong met All Night Long van Lionel Richie? Het is een scherp kantje van je dat ik nooit zal begrijpen, maar wel apprecieer.

Jan, ik moet wel toegeven dat ik met open mond jouw uitnodiging heb gelezen. Je brief was, en ik wik mijn woorden, niet echt uitnodigend. Je pen vertelt me dat je een zekere afstand wil bewaren. Heb ik je de laatste keer gebruuskeerd misschien? Wil je me aan de tand voelen over iets? Of is dit jouw ironische gevoel voor humor om mij, in de beleefdheidsvorm u met hoofdletter nota bene, uit te nodigen op jouw ‘kabinet’? Ik weet dat ik de laatste keer geen al te beste beurt maakte, maar om mij nu plots jouw patiënt te noemen. Dat vind ik er toch wel een beetje over.

Bref, ik weet niet wat of hoe, maar je toon baart me zorgen. Ik heb je dus nog niet teruggebeld zoals je vroeg, en stuur je deze brief in de plaats. Laat het even bezinken. Samen komen we er vast wel uit.

Hartelijk,

Antony

P.S. Kijk jij ook jouw eigen tanden na?

De druppel

Het is de druppel teveel die zijn tere lichaam doet overlopen van weemoed. Hij zit op zijn vertrouwde barkruk, als een levend vraagteken gekromd over zijn tweederangs single malt whisky. Hij draait het Schotse goedje rond in zijn glas en laat zich door het kolkje meesleuren naar de bodem van zijn gedachten. Daar komt hij zijn vader tegen. Ook hij kon als geen ander zijn whisky laten rondgaan als een neerwaartse spiraal waar hij nooit meer uit zou geraken.

Ontelbare nachten zat zijn vader in zijn wijnrood fluwelen schommelstoel te staren naar de Leuvense stoof met enkel het getik van de klok als gezelschap. Hoe vaak had hij als kind niet gedacht om op vaders schoot te gaan zitten nadat hij ’s nachts naar het toilet was geweest? Hij deed het nooit. Hij stond daar als een toeschouwer. Zou zijn vader zijn aanwezigheid gevoeld hebben? Misschien wachtte hij wel op een onschuldig gebaar van zijn zoon om hem te redden van zijn ondergang. Wist hij veel.

Haar entree in het café haalt hem terug naar zijn barkruk. Ze knikken elkaar kort toe zoals joggers dat doen als ze elkaar kruisen in het park. Het is 12u30 op een zonnige dinsdag en BB King soleert zich de ziel uit zijn corpulente lijf. Het is tijd voor een refill.

Ze neemt plaats aan haar tafeltje. Zoals gewoonlijk zet ze haar rood gestifte lippen rond het glas rode porto dat de café-uitbater haar bracht terwijl ze haar zwarte bontjas uittrok. Praten doen ze niet, ook al zitten ze hier verschillende middagen samen alleen. Kijken ook niet, ook al hebben ze elke beweging van mekaar gezien. Hij gluurt naar haar via de spiegel achter de toog, en zij tuurt naar hem in de weerspiegeling van het raam dat uitkijkt op het plein. Liefde kan toch tragisch zijn als ze onbeantwoord blijft.

Waarom zou hij haar trouwens willen leren kennen? Hij kent zichzelf niet eens. Probeer jezelf dan maar eens op een ordentelijke manier voor te stellen. Hoe ouder hij wordt, hoe meer hij het gevoel krijgt dat hij aan de zijlijn staat van zijn eigen leven. Machteloos kijkt hij toe hoe zijn verleden onbestraft tegen zijn geweten schopt. Hij heeft geen zin om met haar een nieuwe nederlaag op te lopen. De emmer der vernederingen zit vol. Alle whisky ten spijt, het zou de druppel teveel zijn.

Als hij terugkeert van het toilet is ze al weg. Meestal laat hij haar achter. Er ligt een bierviltje naast zijn whisky. Op het kaartje staat een afdruk van haar volle lippen, die hij meent te herkennen. Er staat ook een boodschap op geschreven:

Je nieuwe haarsnit is geslaagd.

Bedankt voor je gezelschap.

Het ga je goed,

Annabelle.

BB King maakt plaats voor JJ Cale. Enkele zonnestralen geven het bruin café een gouden gloed. Hij kapt de laatste centiliter whisky achterover en wandelt naar buiten. Zijn klas wacht op antwoorden terwijl de vragen zich in zijn benevelde hoofd alleen maar opstapelen.

Hij glimlacht.

Oord van verderf

Luttele minuten voor Steve aan de grens van de wetteloosheid komt, trekt hij zijn handschoenen wat strakker aan. Hij bijt op zijn onderlip en haalt diep adem. Zijn vader had hem gewaarschuwd voor dit oord van verderf, verrotting en vrijbuiterij. Maar hij moet er door. Nu zijn vrouw hoogzwanger is, moet hij van z’n spul af.

Steve nadert de stofwolk die er eeuwig lijkt te hangen, als een dikke mist die ook zijn gedachten vertroebelt. Hij maant zich aan om gefocust te blijven en haalt een verkreukt papiertje uit de binnenzak van zijn leren jacket. Er staat in zijn eigen hanenpoten een citaat op geschreven dat hij als mantra bovenhaalt telkens hij het moeilijk heeft. Gesterkt door de boodschap, verleden heb je, toekomst moet je maken, legt hij de laatste meters af. Er is geen weg meer terug.

Steve komt aan de grens. Hij schraapt zijn pijnlijk droge keel wanneer een gespierde latino traag maar vastberaden op hem afstapt. Er schuilt achterdocht tussen de plooien van zijn frons, en een cigarillo bengelt tussen zijn dunne lippen. De tattoos die zijn gespierde armen versieren, vertakken als een klimop tot aan zijn nek. De man vraagt kortaf:
‘Wat heb je bij?’

Niet in staat om een woord uit te brengen, wijst Steve aarzelend naar z’n spul. De man blijft Steve strak aankijken, knikt bevestigend en zegt dan:
‘Op ‘t einde van de straat aan je linkerkant.’

Die horde hebben we alvast genomen, denkt Steve opgelucht. Pas nu hoort hij de muziek die luid over deze puinhoop loeit. “There will be no next time” roept de zanger, wat hem op deze plek de stuipen op het lijf jaagt. Hij veegt met de rug van zijn gehandschoende hand de doemscenario’s van zijn bezwete voorhoofd en gaat strijdvaardig verder.

“Keep cool, keep cool, keep cool”, mompelt Steve, terwijl hij zijn wagen aan de kant van de weg parkeert. Op het moment dat hij zijn spul uit de wagen neemt, roept een man met rode bandana om het hoofd hem toe vanop de afgesproken plek.
‘Hey, wacht eens even! Zit je wagen vol?’
‘Ja, waarom?’, vraagt Steve op zijn qui-vive.
‘Ik ga je een dienst bewijzen’, zegt de man.
‘Een dienst bewijzen?’, antwoordt Steve van zijn à propos gebracht.

‘Ja, en dat zal nodig zijn, geloof me. Ik zou niet zomaar over ‘t straat lopen met dat spul. Het is hier een nerveuse bedoeling en dan gebeuren er weleens ongelukken. Je wil niet weten wat ik hier allemaal al heb meegemaakt. Luister, parkeer je wagen maar aan de achterkant van de container. En als iemand je komt lastigvallen, dan zeg je maar dat de Fille zijn zegen heeft gegeven. Oké?’

‘Oké. Merci, Fille’, antwoordt Steve, overdonderd door een vriendelijkheid die hij deze plek nooit had toegeëigend.

Hij besluit zijn vooroordelen over het containerpark samen met het steenpuin weg te kieperen. Tijd om de kinderkamer af te werken. Tijd om toekomst te maken.

Dit kortverhaal werd op 25 november 2014 gepubliceerd op http://www.bibliotheekvanbabel.eu

Tram 10

2 vijftigers roken hun pijp voor een kunstgalerij in de Wolstraat. Ze zitten op een houten bankje en turen door hun ivoren monturen naar het continu veranderende straatbeeld. Het lijkt voor hen wel een manier om niet te verstillen door de vele stillevens die hun vitrine versieren. Of misschien willen ze het gewoon wat kalmer aan doen op deze milde zaterdagnamiddag. Wat ik alleszins zeker weet, is dat tram 10 ondertussen om de hoek piept.

Zoals steeds stap ik als laatste op. Ik mag dan wel competitief zijn, staan drummen voor de deuren van een tram is kinderachtig. Zeker wanneer die tram alleen maar gevuld is met de zweetgeur van de trambestuurder. Het ongeduldige koppel voor mij denkt er anders over. De mannelijke wederhelft gaat wild tekeer op het knopje om de deuren te openen, terwijl hij met zijn brede bast tegen de deur kleeft. Hij heeft veel weg van meneer Proper, maar blinkt toch vooral uit in vuilbekkerij. Zijn lief heeft paars haar, meerdere piercings en een vervaagde tribal tattoo in haar nek. Ook zij spuugt haar gal. Vooral op hem, voor zijn gebrek aan geduld.

Ik ga vlak achter dit kleurrijke koppel zitten. Onderweg naar het Astridplein zie ik mijn oud-docent boekhouden de Libidos Erotheek buiten stappen. Of hoe aftrekposten opeens een andere betekenis kunnen krijgen. In al zijn haast botst de schichtige prof tegen een fietser, tot groot jolijt van mijnheer Proper die het incident in geuren en kleuren navertelt. “Het zal da vetzakske leren”, hoor ik hem nog zeggen tegen zijn vriendin.

Sommige mensen voelen zich nooit geremd.

Halte Astridplein. Niet alleen de tram, maar ook de bus stopt hier. Laat de chaos dus maar beginnen. Als fietser heb je hier 2 keuzes: of je steekt een tandje bij en rekent erop dat de op- en afstappende pendelaars terugdeinzen na het zien van de grinta op je gezicht. Net als bij de beklimming van Alpe d’Huez maak je kans om achterna gelopen te worden door tierende mensen met gebalde vuisten. Maar dan helaas niet om je aan te moedigen. De tweede optie is galanter. Je zet het voetje even aan de grond tot je terug zicht krijgt op het fietspad voor je. Geen kwade pendelaars deze keer, wel furieuze fietsers die liever vlammen over deze beruchte strook.

Na deze halte voeren vooral jonge koters het woord na een geslaagde dag in de stad of haar zoo. Mijnheer Proper doet nog steeds wild over het voorval met de docent. Duidelijk tegen de zin van zijn vriendin, die haar blik van hem afwendt, met de ogen draait en zuchtend op haar sjiek verder kauwt. 1 van die koters, die ik een jaar of 7 schat, trekt aan de mouw van haar moeder en zegt: “Kijk mama, die mijnheer lijkt op mijnheer Proper”, terwijl ze wijst naar de kale macho.

Zijn lief heeft het ook gehoord, waardoor ze zich bijna verslikt in haar kauwgom en begint te schateren. Rondom haar beginnen nog een paar mensen te gniffelen. Ze doen dat erg voorzichtig, enigszins onder de indruk van de spierbal met gouden oorbel. Zoals het jonge koppeltje naast mij, dat begint te kussen om een lach te onderdrukken. Of de jonge moeder die schuin voor mij zit, en die haar gezicht verschuilt achter de draagdoek waarin haar baby ligt te genieten. En mijnheer Proper, die kijkt met open mond in het rond. “De wereld is naar de kloten”, hoor ik hem nog zeggen.

Turnhoutsebaan, halte Kerkstraat. De mensen op de tram durven opnieuw te lachen nu de rood aangelopen mijnheer Proper en zijn goedgeluimde vriendin zijn afgestapt. De rest van de rit verloopt rustig. Ik stap af aan mijn vertrouwde halte en word bijna van mijn sokken gereden door een bejaarde wielertoerist die tegen de richting in rijdt. Hij kijkt me over zijn schouder boos aan en gesticuleert verongelijkt. Ik raap mijn aankoop van de dag – een Moleskine notitieboekje dat ik door het schrikken had laten vallen – van de grond. Ik veeg het vuil eraf en beklaag me dat ik vroeger altijd naar mijn discman luisterde als ik het openbaar vervoer nam. Ontelbare verhalen die van mijn koptelefoon moeten zijn afgegleden.

Een lach en een trein. (fictief kortverhaal)

Het is drie uur ’s nachts. Terwijl iedereen slapend zijn kerstdiner verteert, stuif ik naar buiten. Ik heb het nu écht wel gehad. Ik bal de vuisten en loop knarsetandend naar de spoorwegbrug. Ondertussen wandelen mijn gedachten terug in de tijd. A trip down Misery Lane in mijn geval, waar ik word uitgekleed, bespot en afgeranseld.

In mij huist een sloppenwijk en de situatie is uitzichtloos.

Nog even, en ik ben er. In mijn hoofd repeteer ik het traject dat voor me ligt. Het is de laatste keer dat ik in de toekomst kijk. Nog even, en dan is er niets meer. Geen kommer en kwel, geen teleurstellingen en geen demonen. Ik voel me opgewonden, op het erotische af, want eindelijk neem ik het leven in eigen handen. Nog enkele tellen en ik verdwijn uit dit tranendal als een druppel in een plas water. Ik zet me op de rand van de brug. Door een felle rukwind verlies ik bijna m’n evenwicht! Het resultaat mag dan even bevredigend zijn, ik zal zelf wel bepalen wanneer ik het zwarte gat omhels. Gun me tenminste dat nog.

Ik hoor een trein naderen en, met hem, ook het einde. Ik zie z’n koplampen in de verte. Hoelang nog? 30 seconden… 20 seconden… 15 seconden… Waar blijven die flashbacks?… 10 seconden… Ik denk en ik voel niets, de ogen gefixeerd op die koplampen.

5, 4, 3, 2, PETS!

“Shit!” roep ik.

Er valt iets op mijn hoofd en daarom blijf ik zitten, als versteend. Ik strijk met bevende vingers over mijn voorhoofd en merk dat het een duivenstront is. Ondertussen is de trein al lang weg. Wat een gemiste kans! Ik zou nu gewoon kunnen springen natuurlijk. Ook zonder trein is de kans klein dat ik ooit nog de zon zie opgaan. Ik wil echter zekerheid: liever dood onder het zand dan levend als een plant.

Misschien was het een witte duif in een laatste poging om vrede te stichten in mijn hoofd. Ik lach bij de gedachte. Ik lach verdomme! Waar is mijn vastberadenheid nu? Mee op de wegrijdende trein gesprongen? Het laatste jaar heb ik alleen maar pijn gevoeld, in elke vezel van dit zielige lichaam. Ik kijk uit naar de dood zoals een normale mens uitkijkt naar de geboorte van zijn kind. Ik had zelfs het idee opgevat om een doodskaartje te maken, geheel in de stijl van een geboortekaartje. Met gewicht, lengte, ouders, meter, peter en al op geschreven. Maar ja, het is er uiteraard niet van gekomen.

Waarom laat ik mij dan van de wijs brengen door een beetje kak? Heb ik in mijn leven nog niet genoeg stront over mij heen gekregen? Ik zit hier aan de rand van de afgrond te lachen met mijn eigen miserie. En nu slaat de twijfel toe. Het is eeuwen geleden dat ik verdomme zo heb getwijfeld. Waaraan ligt het? Het lot? Neen, daar geloof ik niet in. De schrik voor het onbekende? Ook dat lijkt me vreemd. Lafheid? Ongetwijfeld een kanshebber, al was ik nog nooit zo zeker van m’n stuk.

En sinds wanneer stel ik mezelf zoveel vragen?

Het is alsof verschillende stemmen in mijn hoofd elkaar eindelijk vinden voor een goed gesprek in de juiste kamer. Het is er even rustig als de nacht waarin ik me bevind, op de rand van een spoorwegbrug. Het lijkt er op dat ze in alle sereniteit debatteren met hun gastheer als inzet. Ik laat ze galmen door heel mijn lijf en teen uitgeput huiswaarts.

Hun eerste vaststelling: hij is weeral een mislukking rijker en een dag armer.

Zeezicht op Zurenborg (mini kortverhaal)

Het is een zwoele zondagavond. Ik zit op een kruk en leun nonchalant tegen de voorgevel van café ZeeZicht op de Dageraadplaats. ik zie overal lachende gezichten, pretoogjes en frisse pintjes. Uitlaten als ‘gij meent da!’, ‘ge hebt hem toch de waarheid verteld?’ en ‘onze burgemeester verbrandt kilo’s door met zijn ogen te rollen.’ schieten er uit, maar lossen even snel op als de bellen die het blonde meisje naast mij de lucht in blaast. Het is een luidruchtige mensenmassa, op twee veertigers na. Alsof een glazen stolp hen, zittend aan een klein rond tafeltje, scheidt van de rest van het plein.

Hij draagt een gecentreerd wit hemd met hoge kraag, een marineblauwe vest en een klassieke zwarte Ray Ban. Zijn grijzende haren zijn strak over zijn kalende kruin gekamd. De dikke gouden ring met diamant aan zijn rechterpink schittert door de ondergaande zon.

Zij heeft zichzelf in een zwart maatpak gewrongen. Aan de stand van haar intimiderende borsten te zien, loert een nipplegate gevaarlijk om de hoek. Haar geblondeerde haren vallen op zoals een fluovestje dat doet en steken af tegen haar verrimpeld, gebronzeerd velletje. Haar gezicht zit verscholen achter een zwarte Prada zonnebril.

Ik bestel mijn tweede bolleke Koninck.

Het valt mij op dat Ray schichtig om zich heen kijkt en voortdurend zijn benen beweegt alsof hij een dubbele basdrum aan de praat houdt. Hij jongleert non-stop met zijn witte iPhone 5 en werpt zijn vlam regelmatig kusjes toe. Zij kijkt geamuseerd toe, giechelt en tracht ondertussen haar borsten in het gareel te houden. Ze stift haar lippen baby roze op het moment dat de ober met twee glaasjes bubbels komt aangewaaid. Ze klinken en nippen van hun glas.

Links van mij komt een mollige dame met knalrode kop aangestormd. Ze sleurt daarbij aan elk hand een jongen van een jaar of twaalf mee. Ik vermoed dat de twee fils à papa haar kinderen zijn. Ray heeft haar ook in de mot en hij veert recht. Nog voor hij een woord kan uitbrengen, zet de vrouw het op een brullen.

Vrouw: Kijk eens jongens, hier zit ‘em! Dat ziet er een belangrijke vergadering uit hé!

Ray sist: Rustig Brigitte, moet heel het plein u horen of wat! En wat doen de jongens hier? Die moeten toch al lang in hun bed liggen!

Brigitte keelt verder: Wat krijgen we nu? Gaat gij mij hier opvoedingsadvies geven of wat? Ge zijt nooit thuis, vuile leugenaar!

De blonde bimbo zwijgt, kruist de armen en rolt met haar ogen.

De twee jongens lopen ondertussen ook rood aan. Niet van woede, maar van schaamte. De ene broer huilt en schuilt achter de schouder van de andere.

Ray kijkt naar Brigitte en wijst naar zijn gebroken zonen. Hij snauwt: Zijt ge nu content Brigitte? Ge kon toch evengoed wachten tot ik thuis was in plaats van heel het plein op stelten te zetten. Mijn meeting met de bank was afgesprongen, ok? Er kwam een gaatje vrij en ik heb mijn collega Veronica gevraagd nog een aantal dingen te bespreken voor een belangrijke meeting morgen.

Veronica richt zich tot Brigitte en zegt triomfantelijk: aangenaam.

Brigitte brult verder: Gij omhooggevallen stukske zeveraar! Ik ben uw excuses spuugzat, Ywein. Een gat in uw agenda…Haar gat zeker? Bedrieger!

Veronica giechelt.

Ik vind het jammer dat Ray eigenlijk Ywein heet. Ray past hem zo veel beter als midlife macho.

Brigitte is trouwens nog niet gedaan met haar betoog. Ze roept: “Ik, wat zeg ik, wij, houden u al 10 minuten in de gaten en we weten genoeg! Ge zit verdorie met uw neus tussen haar borsten terwijl ge haar handje vastpakt. Ik zal u eens iets zeggen meneertje de directeur. IK WIL DAT GE VANAVOND NOG UW BOELTJE PAKT!

Door de laagstaande zon zie ik hoe Brigittes woorden worden versterkt door een spervuur van speekseldeeltjes die het gezicht van Ywein bombarderen. Ondertussen is het plein stiller dan ooit. Alsof elke caféganger getuige is van een indrukwekkend stukje straattoneel. Een hipster aan het tafeltje naast mij denkt trouwens écht dat dit doorstoken kaart is. Hij zegt tegen de al even grote hipster naast hem dat dit ‘stuk’ waarschijnlijk een leuke verrassing is van één of ander theatergezelschap dat meedoet aan de Zomer van Antwerpen.

Luttele seconden na de zware woorden tracht Ywein zijn vrouw te bedaren. Dat ze het rustig thuis zullen bespreken en dat het een groot misverstand is. Dat hij het zal goedmaken en dat hij belooft vaker thuis te zijn. Dat hij de verloren tijd zal inhalen. Maar daar heeft Brigitte geen oren naar. Ze zwaait haar sjakos tegen haar man zijn linkerwang. Als blijkt dat Yweins oor bloedt, lijken de hipsters al wat minder zeker van hun ‘stuk’. Hun wenkbrauwgefrons zegt genoeg. En Veronica, die is ondertussen met de noorderzon verdwenen.

Brigitte sleurt haar getraumatiseerde zonen letterlijk mee in haar verdriet. Weg van de flirtende boeman die verslagen zijn wonden likt op een plein dat terug ademhaalt.

Ik bestel mijn derde bolleke.

Blos (een erotische scène)

Ze strompelen binnen, giechelend en geil. Hij zoekt steun tegen de deurstijl van de living en schudt ongeduldig een broekspijp van zich af. Het leven in zijn jeans krijgt eindelijk de verdiende vrijheid. Zij heeft ondertussen haar tanga als een lasso door de kamer gezwierd. Hij grijpt haar instinctief bij de lende en drukt haar stevig tegen hem aan. Ze kussen elkaar gulzig terwijl hij haar neervlijt op de sofa onder het raam. Het binnenvallende maanlicht geeft haar lichaam het egard dat het verdient. Hij zuigt zachtjes op haar onderlip en buigt dan het hoofd op weg naar haar borsten.  Met zijn tong maakt hij cirkeltjes rond haar tepels. Hij weet ondertussen wel hoe fijn ze dit vindt. De tepels worden hard, maar dat is zijn mannelijkheid al lang. Haar ademhaling versnelt en ze stoot af en toe een krakend geluidje uit. Hij fluistert: ‘wat ruik je toch lekker.’ en schuurt plagend met zijn bebaarde kin langs haar onderbuik. Hij proeft van haar grootste troef.

De verwennerij en de witte wijn doen hun werk want ze kreunt harder dan anders. De blos op haar wangen doet zijn hoofd tollen van de goesting. Hij dringt bij haar binnen en hij begint te stoten. Hij doet dat hard en snel, maar het duurt verdorie langer dan verwacht. De alcohol heeft ook hem in z’n greep. Ze voelt verslapping op alle fronten en ze knijpt in zijn tepels ter aanmoediging. Hij versnelt nog een laatste keer terwijl ze elkaar diep in de ogen kijken. Ze zegt: “spuit me maar lekker vol jongen.” Hij voegt zijn daad bij haar woord.

Hij rolt zich voldaan van haar af en zegt uitgeteld:

‘Het leven begint bij zestig’, terwijl hij door haar grijze haren strijkt.